You are here

Alfasynucleïne en de ziekte van Parkinson

Woensdag 15 februari 2017

Alfasynucleïne bij de ziekte van Parkinson: een nieuw therapeutisch spoor?

Alfasynucleïne speelt een rol bij de ziekte van Parkinson. Dit eiwit klit samen tot hoopjes in dopamineneuronen, waardoor die degenereren en er ziektesymptomen verschijnen. Duitse en Amerikaanse vorsers hebben ontdekt dat dit eiwit van de hersenen naar de maag wordt getransfereerd via de nervus vagus.

Zweedse onderzoekers hebben in 2014 aangetoond dat alfasynucleïne bij ratten van de darmen naar de hersenstam kan trekken via de nervus vagus, de craniale zenuw die organen en spieren van verschillende systemen (met name het hart, het spijsverteringsstelsel en het ademhalingsapparaat) verbindt.

Een hypothese stelt dat het pathologische proces zou beginnen in het maag-darmkanaal en zo naar de hersenen trekken. Of zou alfasynucleïne van de hersenen naar de darmen trekken? Die hypothese werd gevalideerd bij ratten: de transmissie zou 6 maanden in beslag nemen.

We weten nog niet waarom dat eiwit zo beweeglijk is. Sommige neuronen blijken het gemakkelijk op te nemen, te transfereren en op te hopen. De onderliggende mechanismen kennen we nog niet, maar dit zou verklaren waarom de ziekte vooral bepaalde zones van de hersenen treft.

Zou je de ziekte kunnen behandelen door de transmissie van alfasynucleïne in de nervus vagus te blokkeren?

Bron: Sciences et Avenir, 13 januari 2017