Budget 2027: de stille afroming van de erelonen

Nog voor ook maar één besparing is goedgekeurd, weet het artsenkorps al dat het zal betalen. De technische ramingen van mei en de meerjarennota’s die aan de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen en de Commissie voor Begrotingscontrole zijn voorgelegd, schetsen voor 2027 een kader zonder marge: een overschrijding die moet worden weggewerkt, meerjarige besparingen die moeten worden verdeeld en een financieringsmechanisme dat aan de erelonen knaagt zonder ze rechtstreeks te viseren.

Het gezondheidszorgbudget wordt gestuurd door een wettelijk vastgelegde groeinorm: 2% in 2027, 2,60% in 2028 en 3% in 2029. Maar die norm is misleidend. Zoals de meerjarennota zwart op wit stelt, “wordt een deel van de norm niet gefinancierd en kan het niet worden besteed”. Dat bedrag, dat niet kan worden toegewezen en jaar na jaar toeneemt, vormt een eerste vorm van afroming: de aangekondigde groei komt nooit volledig in de zorg terecht.

Daarbovenop komt de besparing die de verzekeringsinstellingen in het kader van de begrotingscontrole moeten realiseren. Die stijgt van 25 miljoen euro in 2026 naar 50 miljoen in 2027, 75 miljoen in 2028 en 100 miljoen vanaf 2029. Daarnaast moet een antifraudeplan structureel 25 miljoen euro opleveren. Stuk voor stuk middelen die vooraf uit het budget verdwijnen, nog vóór er over de nomenclatuur wordt gedebatteerd.

De nota’s becijferen de totale inspanning voor de komende drie jaar op ongeveer 638 miljoen euro: 171,584 miljoen euro in 2027, 170,608 miljoen in 2028 en 296,066 miljoen in 2029, voor alle sectoren samen. De farmaceutische sector neemt daarvan meteen het grootste deel voor zijn rekening. Om zijn vaste aandeel van 17,3% van de toegelaten uitgaven te respecteren, moet de sector  in 2027 117,341 miljoen euro besparen, gevolgd door 90,109 miljoen in 2028 en 163,639 miljoen in 2029. 

Voor de ziekenhuizen, artsen en andere zorgverleners blijft daardoor een inspanning over van ongeveer 54,2 miljoen euro in 2027, 80,5 miljoen in 2028 en 132,4 miljoen in 2029. Een deel van de inspanning voor 2028 en 2029 vloeit voort uit bijkomende besparingen die de regering heeft beslist en die voorlopig buiten de groeinorm worden geboekt.

Ook het remgeld wordt aangesproken

Ook de patiënt krijgt een deel van de rekening. De regering heeft beslist het remgeld op medische prestaties te verhogen, met een budgettaire impact van 125 miljoen euro op jaarbasis. Officieel wordt eenzelfde bedrag opnieuw toegewezen aan het gezondheidsbeleid: in 2027 gaat 28,325 miljoen euro naar de versterking van de gezondheidsadministraties en 96,675 miljoen naar “eenmalige initiatieven” voor de transformatie van de sector.

Met andere woorden: het geld dat bij de patiënt wordt geïnd, vloeit niet terug naar de erelonen. Het financiert de administratie en projecten, niet de raadpleging.

Op de achtergrond blijft het budget van financiële middelen (BFM) van de ziekenhuizen toenemen. Naast de indexering zijn er bijna systematisch positieve inhaalbewegingen. Zo werd voor 127,5 miljoen euro aan herzieningen voor de jaren 2016 tot 2024 opgenomen in het BFM van juli 2026. Daardoor stijgt het ziekenhuisbudget met hetzelfde bedrag.

De MAHA-studies documenteren jaar na jaar een almaar hogere globale afdracht op de erelonen van artsen. Hoe zwaarder de ziekenhuissector doorweegt, hoe groter de inhoudingen worden. Een hervorming van de beroepskosten, gecombineerd met lagere ereloonsupplementen, zou die druk nog verhogen. De hervorming van het ziekenhuislandschap moet net marges vrijmaken door de capaciteit af te bouwen. Zolang die hervorming geen effect heeft, blijft het BFM echter op het budget wegen.

Een groeinorm met twee snelheden

Het contrast is des te opvallender omdat de ziekenhuissector een hogere groeinorm vraagt. In zijn advies Behoeften 2027 acht de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) het “noodzakelijk om voor de periode 2025-2035 een groeinorm van 2,6% vast te leggen” om de vergrijzing, de toename van chronische aandoeningen en de kosten van innovatie op te vangen.

Daarbij verwijst de raad naar een stijging van het aantal opnames in algemene ziekenhuizen met 3,7% tussen 2019 en 2023. De gevraagde groeinorm van 2,6% ligt in elk geval boven de wettelijk vastgelegde 2% voor 2027. Dat verschil verhoogt de druk om binnen het beschikbare budget elders middelen vrij te maken.

In die context werden de artsensyndicaten eind juni gevraagd elk drie prioritaire voorstellen in te dienen, samen met een lijst van mogelijke besparingen volgens het principe van Appropriate Care. Het is een verplichte oefening: voor 2026 vertonen de artsenhonoraria al een overschrijding van 17,124 miljoen euro ten opzichte van de doelstelling. Die zal moeten worden weggewerkt.

Elke nieuwe uitgave zal dus intern moeten worden gefinancierd, door elders in de nomenclatuur middelen vrij te maken. Vandaar de voorzichtigheid van de onderhandelaars. Hun voorstellen gelden alleen als er uiteindelijk een positieve marge beschikbaar blijkt.

Niemand maakt zich illusies: in 2027 zal de echte vraag niet zijn waar er kan worden geïnvesteerd, maar waar er moet worden bespaard. “We verwachten inderdaad besparingen”, zegt dr. Gilbert Bejjani, voorzitter van BVAS-Brussel – Artsenunie. Hij preciseert dat “de nota in juli werd opgesteld”.

Lees ook : Artsen vrezen nieuwe besparingen: andere zorgsectoren vragen 728 miljoen extra

U wil op dit artikel reageren ?

Toegang tot alle functionaliteiten is gereserveerd voor professionele zorgverleners.

Indien u een professionele zorgverlener bent, dient u zich aan te melden of u gratis te registreren om volledige toegang te krijgen tot deze inhoud.
Bent u journalist of wenst u ons te informeren, schrijf ons dan op redactie@rmnet.be.