Jacques de Toeuf: "Artsen betalen voor kosten die niets met hun medische prestaties te maken hebben"

Artsen betalen vandaag mee voor ziekenhuisuitgaven die volgens de nieuwe RIZIV-berekening niet via hun honoraria mogen worden gefinancierd. Jacques de Toeuf, erevoorzitter van BVAS, komt tot die opmerkelijke conclusie na een vergelijking van de nieuwe nomenclatuurnota met de recente MAHA-sectorstudie over de ziekenhuisfinanciën.

Maandag las u in De Specialist hoe het RIZIV voor het eerst een methodologie uitwerkte om artsenhonoraria op te splitsen in een intellectueel deel (65%) en een deel voor praktijkkosten (35%). Jacques de Toeuf, erevoorzitter van BVAS, legde die berekening naast de recente MAHA-sectorstudie over de ziekenhuisfinanciën en komt tot een opmerkelijke conclusie.

Op het eerste gezicht lijken beide documenten weinig met elkaar te maken te hebben. De RIZIV-nota beschrijft een methodologie voor de hervorming van de medische nomenclatuur. De MAHA-sectorstudie analyseert de financiële situatie van de Belgische algemene ziekenhuizen.

RIZIV versus MAHA

Toch vullen beide rapporten elkaar opvallend aan. De RIZIV-nota berekent voor het referentiejaar 2019 welke praktijkkosten nog via de artsenhonoraria mogen worden gefinancierd nadat rekening is gehouden met andere financieringsbronnen, zoals het Budget Financiële Middelen (BFM), de dagforfaits en de Sociale Maribel. Op macroniveau blijft daardoor nog 35% van de honorariamassa over als financiering van praktijkkosten. De overige 65% vormt het professioneel honorarium van de arts.

De MAHA-studie toont dan weer hoe de geldstromen vandaag daadwerkelijk verlopen. De algemene ziekenhuizen inden in 2024 bijna 8 miljard euro aan artsenhonoraria, waarvan ongeveer 5,3 miljard euro terugvloeide naar de artsen. Op sectorniveau bleef dus ongeveer een derde van de honoraria in de ziekenhuisboekhouding. De Toeuf wijst er bovendien op dat de contractuele afdrachten in veel ziekenhuizen hoger liggen dan dat gemiddelde en vaak rond of boven 40% uitkomen.

Voor de Toeuf leidt de vergelijking tussen beide rapporten tot een opmerkelijke vaststelling. "Als het RIZIV berekent dat nog 35% van de honoraria nodig is om de praktijkkosten te financieren, terwijl ziekenhuizen vandaag vaak meer afhouden, dan financieren artsen noodzakelijkerwijze ook andere kosten."

Daarmee verschuift de discussie van de berekening zelf naar de bestemming van de ziekenhuisafdrachten. Waarvoor dient het verschil tussen de praktijkkosten die het RIZIV berekent en de bedragen die artsen vandaag in veel ziekenhuizen afdragen?

De redenering van de Toeuf steunt op een passage in de RIZIV-nota die tot nu toe weinig aandacht kreeg. Daarin wordt nauwkeurig omschreven welke kosten als praktijkkosten worden beschouwd. Personeel, medische apparatuur, logistieke ondersteuning en bepaalde indirecte kosten maken daarvan deel uit.

Andere uitgaven vallen daar expliciet buiten. Zo vermeldt de nota dat investeringen in gebouwen, groot onderhoud en algemene infrastructuur geen praktijkkosten van medische verstrekkingen zijn. Die worden immers via andere financieringsmechanismen gefinancierd en maken daarom geen deel uit van de 35%-berekening.

Voor de Toeuf is precies dat de kern van het probleem. "In de berekening maakt men een onderscheid tussen directe en indirecte kosten. Maar de MAHA-cijfers tonen dat de ziekenhuisafdrachten verder gaan dan die praktijkkosten."

"Niet conform de wet"

De erevoorzitter van BVAS verbindt daar ook een juridische conclusie aan. "Dat betekent dat de honoraria budgettaire kosten dekken die absoluut geen relatie hebben met de medische verstrekking. Artsen betalen dus voor zaken die volgens de wet niet via hun honoraria zouden mogen worden gefinancierd."

Hij verwijst daarbij onder meer naar investeringen in gebouwen en andere algemene ziekenhuisinfrastructuur. "Als de methodologie van het RIZIV correct is, dan is de huidige situatie niet conform de wet. De honoraria mogen alleen dienen om praktijkkosten te financieren die verband houden met de medische verstrekking. Wanneer artsen daarnaast ook algemene ziekenhuisuitgaven betalen, gaat men verder dan wat wettelijk bedoeld is."

De analyse van de Toeuf raakt aan een fundamenteel onderdeel van de nomenclatuurhervorming. De nieuwe RIZIV-methodologie bepaalt immers welke kosten in de toekomst nog via de honoraria mogen worden gefinancierd. Als die methodologie ook de basis wordt voor een hervorming van de ziekenhuisafdrachten, zal onvermijdelijk de vraag rijzen of de huidige financiële afspraken tussen artsen en ziekenhuizen nog met die nieuwe uitgangspunten overeenstemmen.

Lees ook :

> Zo wil het RIZIV de artsenhonoraria opsplitsen: 65% intellectueel, 35% praktijkkosten

> Frank Vandenbroucke: "Sommige specialismen zullen moeten inleveren"

U wil op dit artikel reageren ?

Toegang tot alle functionaliteiten is gereserveerd voor professionele zorgverleners.

Indien u een professionele zorgverlener bent, dient u zich aan te melden of u gratis te registreren om volledige toegang te krijgen tot deze inhoud.
Bent u journalist of wenst u ons te informeren, schrijf ons dan op redactie@rmnet.be.

Laatste reacties

  • Christophe Breusegem

    02 juli 2026

    Het riziv is (doelbewust) te kortzichtig wat betreft praktijk onkosten
    Het spreekt voor zich dat onkosten voor het gebouw en onderhoud ervan daartoe behoren
    Alsook elektriciteit en internet

    Wat gaan onze syndicaten doen opdat artsen een correcte onkostenvergoeding verkrijgen in de toekomst?

    Medische prestaties worden uitgevoerd in een gebouw…

  • Nikolas De Meurechy

    02 juli 2026

    Een punt dat hierop verder bouwt en nog niet aangetoetst is, is dat in de timeline van de verdere hervorming, de minister in oktober-november 2028 de nieuwe nomenclatuur in het staatsblad wilt laten verschijnen en op 1/2029 uitrollen. Dat betekent dat artsen 2(!!!!) maanden krijgen om een nieuwe algemene en financ regeling met hun ziekenhuis te onderhandelen. Een proces dat meestal tot enkele jaren in beslag kan nemen.

    De timing begint meer en meer de overhand te krijgen boven de kwaliteit, zo ook krijgen we als syndicaten nu 2 maanden om deze data te analyseren, van een studie die 4 jaar in beslag genomen heeft. Uiteraard is dit met het oog op een zo beperkt mogelijke analyse te kunnen realiseren door de artsen, om zo weinig mogelijk weerstand en doortastendheid te kunnen bekomen...