Eind november nam Jessa Hasselt afscheid van dr. Jos Vandekerkhof met een imposant mooie afscheidsviering. Sinds 1 december biedt hij voor de zorgsector zijn rijke ervaring aan op medisch, organisatorisch en strategisch niveau. Die sector “staat voor grote uitdagingen en transities”, aldus het Limburgse medische boegbeeld. Dat verdient een interview.
Dokter Jos Vandekerkhof viel doorheen zijn lange carrière niet voor één gat te vangen. In Jessa was hij achtereenvolgens stagiair geneeskunde in 1978, eerste aso heelkunde tussen 1980 en 1983 en eerste staflid vasculaire heelkunde in 1986. Hij nam nadien een resem functies waar waaronder diensthoofd vaatheelkunde, stagemeester geneeskunde, stagemeester heelkunde, medisch manager kritieke diensten, lid van de medische raad vanaf 1990 waarvan 18 jaren voorzitter om te eindigen als hoofdarts vanaf 2021.
Hij wierp zich uiteraard ook op als een belangrijke vertegenwoordiger van de Orde van Artsen, en hij leidde verder dus ook massa’s dokters op.
Altijd pleitte hij voor een goede samenwerking met de eerste lijn, wat in Limburg wellicht iets makkelijker ligt dan elders: er staat een stevige structuur, opgebouwd rond twee grote ziekenhuizen. "Maar je kunt geen tertiaire pathologie uitbouwen als je geen verwijzingen krijgt van de omgeving. Dat vergt een goede link naar de eerste lijn. Dat hebben we mee bewerkstelligd door het CELL (Centrum Eerste lijn Limburg). Zo kwamen we tot een nagenoeg perfecte samenwerking tussen die lijnen."
Helikopterzicht
Met zijn helikopterzicht op de Limburgse ziekenhuissituatie pleit hij voor meer verregaande vormen van samenwerking en fusie. Als het gaat over ZOL en Jessa ziet hij mogelijkheden voor een intense samenwerking om de tertiaire zorg in de provincie, zoals pancreaschirurgie en hartchirurgie, te vrijwaren. Via Inez (Innovatief Netwerk Expertise Zorg Limburg) wordt daar volop aan gewerkt. Zelf was dr. Vandekerkhof nauw betrokken bij het dossier om die gezamenlijke dienst hartchirurgie op te zetten.
Door de financiële moeilijkheden waarmee alle ziekenhuizen in België kampen, dringt een structurele reorganisatie zich sowieso op. Vandekerkhof verwacht nog heel wat intensere samenwerkingsvormen en fusies. “Hoewel ziekenhuizen niet per se moeten sluiten, moeten ze zich herorganiseren en nieuwe functies aannemen”, meent hij.
Hoewel fusies een proces van lange adem zijn – en naar schatting toch minstens vier jaar in beslag nemen – zijn die vaak onvermijdelijk. Zo kun je naast grotere ziekenhuizen kleinere, gespecialiseerde centra (focus factories) creëren.
De toekomst van de Limburgse gezondheidszorg -vooral met de komst van een geneeskundige masteropleiding aan de UHasselt- vraagt om afstemming tussen de PhD-activiteiten van Jessa en ZOL. Kleinere ziekenhuizen zullen zich focussen op dagverblijf en kortverblijf en moeten nadenken over de toekomst van diensten zoals materniteit. Een verdere samenwerking in de regio tekent zich af tussen Jessa, Tongeren en Heusden met als werktitel Demerbron 3.
Wel is een complicerende factor bij de hervormingen de wetgeving: hoewel de overheid samenwerking aanmoedigt, moet de wetgeving (zoals erkenningsvereisten) ook aangepast worden aan de nieuwe ziekenhuisstructuren die voortkomen uit de hervormingsvoorstellen zoals die van minister Vandenbroucke.
Co-governance en bestuur
Als voormalige hoofdarts en voorzitter van de medische raad is dr. Vandekerkhof ook uitstekend geplaatst om het debat over co-governance te inspireren. Net waar het gaat om de scheiding tussen intellectuele en technische prestaties in de financiering, is de participatie van artsen in de bestuursorganen onontbeerlijk. Die moet toenemen. Als artsen financieel mee participeren, betekent dat uiteraard ook dat ze stemrecht moeten hebben.
Om de dualiteit tussen de medische raad en de medische directie op te heffen en te zorgen voor een uniform medisch beleid, richtte hij bij zijn vertrek een 'College van de Hoofdarts' op. Dat bestaat uit de hoofdarts, de medische managers - verantwoordelijk voor een cluster -en het bureau van de medische raad. Het wordt duaal aangestuurd door de medische en de zorgmanager.
Een artsendelegatie -niet noodzakelijk uit het eigen ziekenhuis- zou ook in de raad van bestuur namens het artsenkorps zitjes moeten innemen. “Momenteel is de hoofdarts vaak de enige arts aanwezig in de raad van bestuur, en dan enkel als raadgever, wat onvoldoende is”, evalueert hij.
Hervorming van de Orde
Of de Orde van Artsen aan een nieuwe hervorming toe is? Zelf is dr. Vandekerkhof voorstander van meer onafhankelijkheid door interprovinciale tuchtraden in te voeren. Tegelijk mag het allemaal wat transparanter met meer aandacht voor bemiddeling. Hij heeft al 34 jaren op de teller wat zijn activiteiten bij de Orde betreft. Negentien jaar was hij voorzitter van provinciale raad en vanuit die ervaring wijst hij op de noodzaak tot hervorming van de tuchtstructuren. Daarmee is een werkgroep in de Nationale Raad overigens volop aan de slag: tegen eind december 2025 moet dat leiden tot een afgerond voorstel. Het belangrijkste pijnpunt, vindt hij, is het gebrek aan onafhankelijkheid op provinciaal vlak (met het risico dat een mentaliteit van ons-kent-ons zaken scheeftrekt).
Naar de op te richten interprovinciale tuchtraden zouden zaken na provinciaal onderzoek naartoe verwezen worden met hopelijk meer onafhankelijkheid en een beter imago tot gevolg. Andere items uit eerdere voorstellen (uit 2016) die terugkomen, zijn: meer raadgevend en bemiddelend te werk gaan van de Orde, meer aandacht voor de klager, en meer focus op verzoening tussen arts en patiënt. De hervormingen zouden ook behelzen dat de zittingen van de interprovinciale tuchtraad openbaar zijn, wat de transparantie ten goede komt.
Soft Skills
Ten slotte zet hij nog het belang van betere soft skills bij artsen in de verf. De opleiding dient daarom nog meer aandacht te besteden aan zaken als communicatie- en managementvaardigheden. Zelf hecht hij veel belang aan de ‘CanMEDS rollen’, waarbij communicatie en management als verbeterpunten worden aangestipt.
De communicatie tussen artsen is momenteel niet optimaal omdat conflicten bijvoorbeeld vaak via mail worden afgehandeld in plaats van in dialoog, analyseert hij. Ook de communicatie met de patiënt vereist meer aandacht. De medisch-technische opleiding in België is weliswaar goed tot uitstekend, maar dat mag er niet toe leiden dat artsen weinig gevoelig zijn voor de ontwikkeling van soft skills, besluit hij.








