“Chinese kruidengeneeskunde blijft riskant” 

De Chinese kruidengeneeskunde beoefenen blijft een riskante ondernemening, zelfs al werd een beklaagde hiervoor in beroep vrijgesproken. “Daarop mag men zich niet blindstaren”, analyseert meester Christophe Lemmens in het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht. (1)

In eerste aanleg werd een acupuncturiste in 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel en een geldboete. De klacht luidde dat ze onopzettelijk letsels veroorzaakt had door schadelijke stoffen toe te dienen (een kruidenmengsel met nierproblemen tot gevolg). Het kruidenmengsel bleek buiten haar weten om besmet te zijn met een giftige stof.

Maar het hof van beroep van Brussel sprak haar nadien vrij omdat ze niet opzettelijk de giftige stof aristolochiazuur had toegediend. Ze had zich niet bezondigd aan een gebrek aan voorzorg en volgens het hof had ze ook het vereiste opleidingsniveau (diploma in de traditionele Chinese geneeskunde en farmacologie, en lid van de Belgische Vereniging van Acupuncturisten). De schade van de patiënte was dus niet voorzienbaar.

Daarmee was de kous niet af, want de patiënte stapte met haar klacht naar Cassatie omdat het zou gaan om onwettige uitoefening van de geneeskunde en de artsenijbereidkunde. Maar ook daar ving de patiënte bot om eerder technische redenen.

'Bevreemdend'

Meester Lemmens relativeert wat de gevolgen voor de kwaliteit van de geneeskunde betreft: de acupuncturiste had wel degelijk veroordeeld kunnen worden wegens de onwettige uitoefening van de geneeskunde en de artsenijbereidkunde: de beklaagde werkte immers niet als arts en beoefende toch de acupunctuur. Ze schreef ook kruiden voor ter behandeling van slapeloosheidsklachten. Dat alles veronderstelt op zijn minst impliciet dat een diagnose is gesteld.

Verder: dat de aanbevolen of voorgeschreven middelen natuurlijke substanties zoals kruiden zijn, doet geen afbreuk aan het feit dat het om een geneesmiddel en om de onwettige uitoefening van de geneeskunde of de artsenijbereidkunde gaat.

Christophe Lemmens vindt de buitenvervolgingstelling van de beklaagde door de raadkamer voor de onwettige uitoefening en de geneeskunde en/of de artsenijbereidkunde dan ook ‘bevreemdend’. Hij bestempelt de beoefening van Chinese geneeskunde door onbevoegden als ‘hachelijk’, “zelfs indien er sprake is van een onderliggende opleiding of ervaring.”

“Men mag zich er zeker niet op blindstaren dat de beklaagde in dit geval de vrijspraak verkreeg”, besluit hij. De vrijspraak was eerder ingegeven door de omstandigheden eigen aan deze zaak.

(1)   Christophe Lemmens: “De beoefening van de Chinese kruidengeneeskunde blijft een hachelijke onderneming: de toediening van schadelijke stoffen en de onwettige uitoefening van de geneeskunde.” T.Gez 2, 2019-2020, pp. 127-133

U wil op dit artikel reageren ?

Toegang tot alle functionaliteiten is gereserveerd voor professionele zorgverleners.

Indien u een professionele zorgverlener bent, dient u zich aan te melden of u gratis te registreren om volledige toegang te krijgen tot deze inhoud.
Bent u journalist of wenst u ons te informeren, schrijf ons dan op redactie@rmnet.be.