“Zorgaanbod is geen grootwarenhuis” (supplementendebat)

Een uitstekend gestoffeerd panel had het in het debat op het FMS-jaarcongres over de noodzaak van transparantie van artsenbruto-inkomens, regionale verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië op dat vlak, en onvermijdelijk uiteraard de rol van de mutualiteiten. Tot slot werd er gedebatteerd over de vrije artsenkeuze en de mogelijke hervorming van de eerstelijnszorg om het systeem efficiënter en betaalbaar te houden.

Moderator Christophe Deborsu kreeg het publiek aanvankelijk op zijn hand door ostentatief te vragen of er een vertegenwoordiger van de minister in de zaal was. Quod non. Verder gaf hij toe dat de materie voor wie niet echt gepokt en gemazeld is in de sector, geen sinecure is. Er ging voor hem flink wat studeerwerk aan vooraf, maar het bewijst ook dat de kwestie richting algemeen publiek al snel verglijdt naar clichés en oversimplificaties. Die sterk levende en emotiegeladen clichés – villageneeskunde, torenhoge artseninkomens op basis van bruto-inkomens en uit de pan swingende ereloonsupplementen - wierp hij de panelleden meteen voor de voeten. 

Jean-Pascal Labille (Solidaris) schetste dat de hervormingsweg zeer moeilijk wordt omdat de regering een gesloten budgettair traject oplegt. “Van de drie deelnemende partijen (naast artsen en ziekenfondsen) kampt de derde, de ziekenhuissector, daarenboven met moeilijkheden. We moeten het debat daarom ontdoen van emoties en de zaken in goede orde behandelen”, stelde hij zich pragmatisch op. “Eerst de nomenclatuur op orde zetten, dan pas de supplementenplafonds aanpakken.” Hij ziet ook budgettaire ruimte ontstaan door het aantal onnodige consultaties te beperken en de focus te verleggen naar kwaliteit. “Dan kan de waarde van de medische prestatie (zowel technisch als intellectueel) stijgen binnen de gesloten enveloppe.”

Geen communautaire oorlog

Voor Patrick Emonts (Bvas) weet iedereen dat deze hervorming geld vergt maar wat dat betreft toonde hij zich niet pessimistisch: “Door overleg met de artsen én patiënteneducatie kunnen we een oplossing vinden, maar één ding moet duidelijk zijn: gezondheidszorg is geen grootwarenhuis waarin je naar hartenlust kunt shoppen.” De Bvas-voorzitter floot Deborsu terug die het debat richting communautaire tegenstellingen Vlaanderen-Wallonië wilde sturen, wat de hervorming extra zou bemoeilijken. “We willen hier geen communautaire oorlog van maken. Het kernprobleem draait om de ontoereikendheid van de huidige nomenclatuur en de waarde die je toekent aan een medische prestatie. Er zou geen noodzaak bestaan voor honorariumsupplementen als de nomenclatuur die waarde correct weerspiegelt. Ons overlegsysteem is nog steeds fantastisch zolang het een behoorlijk niveau haalt.” Voor dr. Emonts mag men de eerste lijn gerust versterken, zolang de vrije artsenkeuze maar gerespecteerd blijft.

Gibbis-vertegenwoordiger Dieter Goemaere wees erop dat de cijfers over bruto-inkomens van artsen (bijvoorbeeld verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië voor radiologen of gynaecologen) met grote voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. In Vlaanderen is er vaak sprake van een grotere patiëntenmassa, waardoor men met lagere supplementen (bijvoorbeeld 125%) eenzelfde financiering kan rondkrijgen als in regio's met een kleinere massa waar men 150% of 200% moet vragen om het ziekenhuis te financieren. Een "one size fits all"-benadering negeert de specifieke sociaal-economische realiteit van verschillende regio’s en leidt tot een race to the bottom.”

Voldoende bewegingsvrijheid

Thomas Gevaert, Kartelvoorzitter, spoorde aan om te vertrekken van de basisvraag of het artsenberoep nog een vrij beroep is. “Soms hebben we de indruk als artsen dat we het slechtste van twee werelden combineren. We verliezen onze vrijheid maar ook onze zekerheid. Dus: waar willen we naartoe? Meer bewegingsvrijheid voor ons betekent dat we tegen een hard verbod zijn van de verhoogde tegemoetkoming. Laat hier enige speelruimte voor de arts die kort bij zijn patiënt staat. Ook ziekenhuizen worden te sterk in hun vrijheid beperkt: wie innovatief is, ziet zich gestraft als hij geen supplementen meer kan vragen. In het buitenland bestaan voldoende voorbeelden die bewijzen hoe nefast het is om die bewegingsvrijheid al te zeer te beperken.” 

Op vraag van de moderator aan welk land dr. Gevaert dan wel moest denken, was het niet lang zoeken: “Het VK en de NHS.”

Excessen

Voor het vragenkwartiertje vanuit de zaal beet FMS-voorzitter Stan Politis de spits af met een ietwat prikkelende vraag: de Kaderwet heeft het over ‘excessen’ bij de ereloonsupplementen. Hoe definieert het panel die excessen? 

In percentages of getallen die excessen vastleggen, is moeilijk te doen. Dat bleek uit het ogenschijnlijk provocerende percentage dat Piet Calcoen (DKV) naar voren schoof als aanvaardbaar: 600 à 700%. Maar toen hij dat concretiseerde met een voorbeeld, toonde hij inderdaad aan hoe moeilijk het is om met maximumpercentages te werken. Hij ging immers in op de sterk ondergewaardeerde psychiatrische consultatie: “Een tarief van 30 euro voor een complex consult dat een uur in beslag neemt, is onhoudbaar. In sommige gevallen moet hier een toeslag van 600 tot 700% op toegepast worden. Ook onhoudbaar is de grote discrepantie tussen verschillende medische disciplines en de tijdsinvestering die zij vragen,”, luidde het nog.

Eigenlijk kwam het erop neer dat men bij de definitie van wat "excessief" is, moet zoeken naar een evenwicht tussen transparantie, toegankelijkheid en vrijheid. Transparantie via een heldere kostenstructuur achter de supplementen, zoals innovatie, bijscholing en infrastructuur. Toegankelijkheid door zorg betaalbaar te houden, weliswaar door artsen in de juiste omstandigheden te laten werken; en vrijheid in die zin dat de therapeutische vrijheid behouden moet blijven én de vrijheid van de arts om een eerlijk honorarium te vragen zonder in "extravagantie" te vervallen.

Dominantie ziekenfondsen

Het meeste bijval uit de zaal oogstte dr. Romaric Croes met zijn opmerking dat ziekenfondsen moesten stoppen met hun verkoop van hospitalisatieverzekeringen. Of er dan geen gelijk speelveld bestond tussen privéverzekeraars en ziekenfondsen? Dr. Calcoen antwoordde met een veelbetekenende glimlach. Jean-Pascal Labille moest zich uiteraard verdedeigen. Hij verwees naar de wetgeving van 1964 waar alle partijen – Assuralia en de ziekenfondsen - zich destijds achter de rolverdeling schaarden die vandaag nog altijd geldt. “Net  dat historische akkoord van 1964 moet een belangrijk referentiepunt blijven, precies om te vermijden dat men afglijdt naar een "etatistische" geneeskunde.” 

Het kwam hem op een stevige repliek te staan van Thomas Gevaert: “De ziekenfondsen nemen een onaanvaardbare positie in: ze beslissen mee over onze tarieven maar omgekeerd hebben wij geen vinger in de pap bij beslissingen over ziekenfondstarieven.”

> Waarom in de Kaderwet ook niet werken met minimumsupplementen?

> FMS kiest voor twee secretarissen-generaal

U wil op dit artikel reageren ?

Toegang tot alle functionaliteiten is gereserveerd voor professionele zorgverleners.

Indien u een professionele zorgverlener bent, dient u zich aan te melden of u gratis te registreren om volledige toegang te krijgen tot deze inhoud.
Bent u journalist of wenst u ons te informeren, schrijf ons dan op redactie@rmnet.be.