Meldingsplicht bij misdrijven tegen kwetsbaren: Orde bezorgd om N-VA voorstel

Benoît Dejemeppe, voorzitter van de nationale raad van de Orde der artsen, lichtte op 23 september het standpunt van de Orde toe aan de commissie Justitie over het wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek. Dit voorstel van de N-VA wil een meldingsplicht invoeren voor bepaalde misdrijven tegen minderjarigen en kwetsbare personen.

De Orde onderschrijft de noodzaak om kwetsbare groepen te beschermen, zoals ook verankerd in artikel 29 van de medische deontologie. Toch stelt ze kritische vragen bij de gekozen aanpak. Een louter juridische reflex biedt zelden een volledige oplossing. De focus moet verschuiven van structuren naar het slachtoffer zelf. Justitie en hulpverlening moeten samenwerken, niet hiërarchisch opereren.

Na een voorval van agressie is medische zorg immers minstens zo cruciaal als gerechtelijke vervolging. Angst voor justitiële stappen kan patiënten afschrikken en hun toegang tot zorg belemmeren. Vooral in situaties van afhankelijkheid of huiselijk geweld is een veilige, vertrouwelijke omgeving essentieel om slachtoffers te laten spreken. Een verplichte aangifte kan deze eerste stap ondermijnen.

Repressie versus multidisciplinaire aanpak

Het wetsvoorstel kiest voor een repressieve benadering. De Orde pleit daarentegen voor meldingen aan multidisciplinaire hulpinstanties, die zowel slachtoffer als dader kunnen begeleiden. Dat biedt meer ruimte voor zorg op maat en herstel.

In de zorg wordt de patiënt betrokken bij beslissingen. Het voorstel miskent deze autonomie: het verplicht artsen tot melding, ongeacht de wens of inschatting van de betrokkene. “Uit de toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat ‘beroepsgeheimhouders nochtans de inschatting dienen te kunnen maken in welke gevallen zij hun beroepsgeheim kunnen dan wel moeten doorbreken. Het kan niet de bedoeling zijn dat zij voortdurend in onzekerheid moeten werken en vrezen voor eventuele strafvervolging’”, aldus de voorzitter van de Orde.

Bovendien is ‘kwetsbaarheid’ niet eenduidig gedefinieerd, meent Benoît Dejemeppe. De beoordeling ervan vraagt medische expertise en contextkennis. Een foutieve inschatting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging, zowel bij het melden als bij het nalaten ervan.

Het wetsvoorstel legt een zware last op artsen: zij moeten inschatten of er een ernstig en reëel gevaar bestaat, of er risico is op recidive, en of het slachtoffer zichzelf kan beschermen. Deze inschattingen zijn complex en contextafhankelijk. De voorgestelde wijziging van artikel 458bis - over het beroepsgeheim, red. - biedt onvoldoende juridische zekerheid en vergroot de onzekerheid bij beroepsbeoefenaars.

Artsen beter begeleiden zonder schending beroepsgeheim

Als alternatief stelt de Orde voor om artsen beter te begeleiden bij hun meldingsbevoegdheid. Praktische tools zoals beslissingsbomen en toegankelijke hulpbronnen kunnen helpen om in het belang van het slachtoffer correcte inschattingen te maken. Zo wordt de meldingspraktijk versterkt zonder het beroepsgeheim of de zorgrelatie te ondermijnen.

> Hier vindt u de volledige tekst.

U wil op dit artikel reageren ?

Toegang tot alle functionaliteiten is gereserveerd voor professionele zorgverleners.

Indien u een professionele zorgverlener bent, dient u zich aan te melden of u gratis te registreren om volledige toegang te krijgen tot deze inhoud.
Bent u journalist of wenst u ons te informeren, schrijf ons dan op redactie@rmnet.be.