Een rapport van de Franse Algemene Inspectie van Financiën (IGF), waarvan Le Canard Enchaîné de belangrijkste punten onthulde, stelt het financiële beheer en de tuchtrechtelijke werking van de Orde der Artsen in Frankrijk ter discussie.
En in België? In een interview met MediSfeer en De Specialist gaat prof. Christian Mélot, vicevoorzitter van de Nationale Raad van de Orde der Artsen, in op de Belgische organisatie. Hij bevestigt dat die gebaseerd is op een beheer dat hij als “voorzichtig” omschrijft, in tegenstelling tot het Franse model.
Volgens de gerapporteerde gegevens roepen de uitgaven van de Franse Orde vragen op over hun verband met het algemeen artsenbelang. De IGF wijst op hoge en onvoldoende gecontroleerde kosten, waarbij met name 15.000 euro aan taxikosten voor een lid in 2024 wordt genoemd, of de organisatie van een congres voor een totaalbedrag van 1,7 miljoen euro, ofwel ongeveer 2.000 euro per deelnemer. De meest symbolische uitgave betreft de aankoop, als nieuwe zetel van de departementale raad van de Orde van Artsen van de Alpes-Maritimes, van een villa van 1.200 m² met zwembad aan de Promenade des Anglais in Nice, voor een bedrag van 3,9 miljoen euro.
Het rapport wijst ook op een stijging van de vergoedingen binnen de instelling. Tussen 2021 en 2024 zouden die van de nationale raadsleden met 10% zijn gegroeid. Bovendien zou in september een verhoging van 15% zijn toegekend aan de voorzitter van de Nationale Raad. Er wordt ook vermeld dat sommige externe experts een vergoeding ontvingen, waaronder 27.000 euro voor een expertiseproject, inclusief bijkomende kosten.
Op disciplinair vlak sluit de kritiek aan bij die die al werd geuit na verschillende rechtszaken. De IGF merkt op dat artsen die definitief zijn veroordeeld voor seksuele misdrijven nog steeds bij de Orde zijn ingeschreven.
Het rapport gaat ook in op de werking van sommige departementsraden. In Marseille zouden vrijstellingen van bijdragen zijn toegekend op basis van interne criteria, zonder uniform kader. Daaronder een geval dat werd gerechtvaardigd door een “administratieve fobie”. In Parijs lijkt de institutionele situatie nog kritieker.
Twee opeenvolgende verkiezingen zijn door de administratieve rechter nietig verklaard, tegen een derde is beroep aangetekend, en bijna de helft van de raadsleden zou onder betwiste omstandigheden zitting hebben. In deze context zouden dossiers over de overplaatsing van artsen en klachten van patiënten niet meer worden behandeld, terwijl de raad over reserves van meer dan 100 miljoen euro zou beschikken. De IGF beveelt de ontbinding van deze instantie aan.
Deze elementen maken deel uit van een breder geheel van kritiek die al door andere inspecties is geuit, met name over het gebrek aan interne controle en de uiteenlopende praktijken tussen de 103 departementale raden.
In deze context betalen de 341.000 Franse artsen die bij de Orde zijn ingeschreven jaarlijks ongeveer 111 miljoen euro aan lidgelden aan de Nationale Raad (CNOM). Een bedrag waarvan de besteding vragen oproept, aangezien sommigen vinden dat het niet uitsluitend ten dienste staat van het algemeen artsenbelang.
Daarom heeft de Orde van Artsen aangevoerd dat haar werkwijze moet worden aangepast, met name om artsen tegen wie een gerechtelijke procedure loopt sneller te kunnen schorsen. De conclusies van het rapport, waarvan de officiële versie nog wordt verwacht, zullen waarschijnlijk de discussies over het bestuur van de Orde in Frankrijk aanwakkeren.
En in België?
In een interview met MediSfeer en De Specialist licht prof. Christian Mélot, vicevoorzitter van de Nationale Raad, de werking van de instelling in België toe. Hij beklemtoont de verschillen met de Franse situatie. De Orde, opgericht bij verschillende koninklijke besluiten tussen 1967 en 1972, “ontvangt geen enkele subsidie van de federale staat” en wordt uitsluitend gefinancierd door de lidgelden van de ongeveer 68.000 ingeschreven artsen. Die zijn gefixeerd op 65 tot 250 euro per jaar. Hij verduidelijkt dat “deze lidgelden niet worden geïndexeerd en lager blijven dan die in Frankrijk.“ De leden ontvangen een presentiegeld van ongeveer 250 euro voor vier uur vergadering, op basis van een wekelijkse activiteit in de provinciale en beroepsraden.
Op financieel vlak verduidelijkt prof. Christian Mélot dat ”de Orde haar rekeningen niet bij de NBB (Nationale Bank van België) hoeft te publiceren en dat ze dus niet openbaar zijn." Hij voegt eraan toe dat ze “worden opgesteld door een onafhankelijke instantie voor de hele Orde en gecontroleerd door een onafhankelijke accountant”, en dat ze “jaarlijks worden meegedeeld aan de leden van de Nationale Raad.“
Het onroerend goed van de Orde bestaat uit een gebouw in Brussel waar de Nationale Raad en de twee beroepsraden, de Franstalige en de Nederlandstalige, zijn gevestigd. Daarnaast zijn er in elk van de tien provincies gebouwen in de vorm van appartementen of panden, bestemd voor de provinciale raden.” De provinciale raad van Waals-Brabant bestrijkt ook Franstalig Brussel, terwijl de provinciale raad van Vlaams-Brabant Nederlandstalig Brussel omvat.
“Er zijn geen buitensporige uitgaven zoals in Frankrijk”, bevestigt hij, verwijzend naar een jaarlijks symposium van ongeveer 80.000 euro en een diner met een zestigtal deelnemers.
Wat de tuchtprocedures betreft, verzekert hij dat “de Orde nog nooit een arts heeft gedekt” en dat zij handelt op basis van informatie die met name wordt doorgegeven door de Dienst voor medische evaluatie en controle (DGEC) van het Riziv. Bij ernstige feiten kan de instelling sancties opleggen die variëren “van schorsing, ongeveer 60 gevallen per jaar, tot schrapping, ongeveer 5 gevallen per jaar." Hij verduidelijkt dat de Orde ook de zaak kan voorleggen aan de federale controlecommissie, die bevoegd is om de vergunning om het beroep uit te oefenen te schorsen.
Prof. Christian Mélot geeft ten slotte aan dat een hervormingsvoorstel, opgesteld op verzoek van minister Frank Vandenbroucke, in maart 2026 aan het kabinet is voorgelegd. “De tekst en de memorie van toelichting zijn beschikbaar op de website van de Orde”, voegt hij eraan toe.
Noteren we nog dat zopas een Belgische huisarts aankondigde dat hij naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stapt, omdat hij een opgelegd beroepsverbod, uitgesproken door het Hof van Beroep en bevestigd door Cassatie, disproportioneel vindt.








