De prognoses van het aantal huisartsen dat België nodig heeft, mogen niet langer uitsluitend steunen op historische trends. In een donderdag gepubliceerd rapport stelt het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) voor om scenario's, uitgewerkt samen met huisartsen, te integreren om de prognoses van de Planningscommissie Medisch Aanbod over de toekomstige behoeften aan huisartsenzorg te verfijnen.
De Planningscommissie Medisch Aanbod maakt geregeld ramingen van de behoefte aan artsen. Die vormen de basis voor het federale quotum aan RIZIV-nummers en vervolgens voor de subquota van de gemeenschappen. Het huidige model steunt vooral op een vijftiental parameters die worden geëxtrapoleerd uit historische trends, zowel aan de aanbodzijde als voor de zorgvraag, onder meer door de vergrijzing.
Volgens het KCE houdt die benadering uitgaande van ongewijzigde omstandigheden en beleid onvoldoende rekening met de ingrijpende veranderingen die de huisartsgeneeskunde de komende twintig jaar kunnen beïnvloeden. De studie stelt het prognosemodel zelf niet in vraag, maar wil voor enkele sleutelparameters alternatieve waarden aanreiken.
Voor die hypothesen werkte het KCE samen met twee groepen van telkens een twintigtal huisartsen met uiteenlopende profielen. Na een analyse van de wetenschappelijke en grijze literatuur identificeerden de deelnemers de belangrijkste factoren die de toekomst van het beroep kunnen beïnvloeden. Uiteindelijk kwamen twee kritieke onzekerheden naar voren: de mate van diversificatie van de taken van de huisarts, onder meer via taakdelegatie en multidisciplinair werken, en de mate waarin technologie ondersteuning biedt.
Vier mogelijke toekomstscenario's voor de huisartsgeneeskunde

Het eerste scenario schetst een overwegend klinische praktijk die sterk door technologie wordt ondersteund. Technologische hulpmiddelen nemen een deel van de administratieve taken en de routineopvolging over, zodat de huisarts meer tijd kan besteden aan complexe situaties.
Het tweede scenario beschrijft een huisarts met een meer coördinerende rol, werkend binnen een multidisciplinair netwerk dat sterk wordt ondersteund door technologie en gedeelde patiëntendossiers.
Ook het derde scenario vertrekt van verregaande taakdelegatie, maar in een context waarin technologie weinig ondersteuning biedt, waardoor meer tijd naar coördinatie gaat.
Het vierde scenario ten slotte beschrijft een overwegend klinische praktijk met beperkte taakdelegatie en technologie die weinig ondersteunt of zelfs extra werklast veroorzaakt.
Op basis van deze scenario's identificeerde het KCE vier parameters van het prognosemodel die kunnen wijzigen: de specialisatiegraad, de verdelingsgraad, de activiteitsgraad en de zorgconsumptiegraad.
Aantrekkelijker beroep, maar minder werktijd
Volgens de experten zouden de gunstigste scenario's, met sterke technologische ondersteuning, de specialisatiegraad kunnen stabiliseren op 40% van de afgestudeerden die voor huisartsgeneeskunde kiezen. Ze wijzen erop dat dit aandeel in de Franse Gemeenschap steeg van 23% in 2011 naar 41% in 2025, terwijl het in Vlaanderen toenam van 31% in 2011 tot 34% in 2024. In het minst gunstige scenario zou dat aandeel geleidelijk dalen tot 30% tegen 2045 in beide gemeenschappen.
Het rapport verwacht ook een daling van de gemiddelde werktijd van huisartsen, als gevolg van maatschappelijke evoluties en meer gediversifieerde loopbanen. Tegen 2045 zou die daling ongeveer 20% bedragen in de gunstigste scenario's, 25% in het coördinatiescenario zonder technologische ondersteuning en tot 35% in het minst gunstige scenario. De experten herinneren eraan dat huisartsen vandaag al ongeveer 13 uur per week besteden aan taken zonder rechtstreeks patiëntencontact, zoals administratie, praktijkbeheer, zorgcoördinatie en overleg met andere zorgverleners.
Taakdelegatie verlaagt de behoefte nauwelijks
Het rapport wijst ook op de beperkingen van de huidige zorgconsumptiegraad die de Planningscommissie gebruikt. Die steunt hoofdzakelijk op terugbetaalde prestaties en weerspiegelt de reële werkzaamheden van de huisarts slechts gedeeltelijk. Daarom maken de auteurs voortaan een onderscheid tussen patiëntencontacten en de vele andere taken. Zelfs wanneer een deel van de klinische activiteiten wordt gedelegeerd, verwachten de experten geen aanzienlijke daling van de totale behoefte aan huisartsenzorg. Minder rechtstreekse contacten zouden grotendeels worden gecompenseerd door meer coördinatie- en samenwerkingstaken.
De regionale prognoses illustreren die toenemende druk. Afhankelijk van het scenario zouden de behoeften aan huisartsenzorg tegen 2045 stijgen met 22 tot 34% in Vlaanderen, 24 tot 35% in Wallonië en 50 tot 59% in Brussel, waar de toename duidelijk groter zou zijn dan in de twee andere gewesten.
Het KCE benadrukt wel dat deze scenario's geen voorspellingen zijn. Ze moeten worden beschouwd als verkenningsinstrumenten die de wiskundige prognoses aanvullen met de praktijkervaring van de huisartsen die aan de studie deelnamen. Het rapport onderstreept ook dat taakdelegatie alleen effect zal hebben als ook andere gezondheidszorgberoepen gecoördineerd worden gepland, zodat voldoende professionals beschikbaar zijn om die taken over te nemen.
Aanbevelingen om de planning te verfijnen
Het Federaal Kenniscentrum beveelt de Planningscommissie Medisch Aanbod onder meer aan deze alternatieve hypothesen op te nemen in toekomstige scenario's, een multidisciplinaire planning van de gezondheidszorgberoepen uit te werken, de gegevensuitwisseling tussen de verschillende planningscommissies te versterken en de modellen geleidelijk meer te laten steunen op de reële gezondheidsbehoeften van de bevolking dan op de consumptie van terugbetaalde zorg.









Laatste reacties
Rodolphe Liagre
02 juli 2026Het KCE wordt vet betaald om het warm water opnieuw uit te vinden