Zelden werd de gezondheidszorg zo hertekend als tijdens de vorige en huidige legislatuur. Het verbod op supplementen bij VT-patiënten in de ambulante zorg, de kaderwet, het nieuwe akkoord tussen artsen en ziekenfondsen, de hervorming van de nomenclatuur aangekondigd voor de zomer van 2027, tele-expertise, toenemende druk rond supplementen… “
Vandaag wordt het zorglandschap herschreven”, vat dr. Koen Roegies, voorzitter van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Dermatologie en Venerologie (KBVDV), meteen samen. Zowel in zijn toespraak als in die van Gilbert Bejjani, vicevoorzitter van ABSyM en voorzitter van ABSyM-Brussel, komt hetzelfde idee naar voren: achter de ogenschijnlijk technische aard van de hervormingen gaat een ware politieke strijd schuil. Wie komt er voor de dermatologen op waar de spelregels daadwerkelijk worden bepaald? En met welk gewicht? Dat was de focus van het eerste van de zes thema’s die tijdens deze zeer uitgebreide stand van zaken aan bod kwamen.
De urgentie om invloed uit te oefenen waar de beslissingen worden genomen
Voor de dermatologie is het eerste thema niet alleen een kwestie van tarieven. Want bij het RIZIV heeft niet iedereen evenveel gewicht. Gilbert Bejjani herinnerde aan een realiteit die veel artsen nog steeds niet kennen: bij de grote onderhandelingen en akkoorden van de medisch-mutualistische sector hebben alleen de organisaties die als vakbonden worden erkend (ABSyM, AADM en Kartel) echt een plaats aan tafel. De afzonderlijke beroepsverenigingen noch de federatie hebben stemrecht.
In de zaal nam de discussie plotseling een heel concrete wending toen prof. dr. del Marmol uitsprak wat velen lijken te geloven: dat lidmaatschap van de beroepsvereniging in feite hetzelfde zou zijn als lidmaatschap van een vakbond. “Voor mij waren de leden van de dermatologievereniging lid van een vakbond.” Het duidelijke antwoord van Gilbert Bejjani: “Dat is een misvatting. In werkelijkheid zijn ze dat niet. Lidmaatschap van een vakbond gebeurt op individuele basis en niet via een beroepsvereniging.”
Het misverstand is allesbehalve anekdotisch. Het laat zien hoe onbekend de vertegenwoordigingsmechanismen nog steeds zijn, zelfs bij specialisten die direct betrokken zijn bij de komende beslissingen. Koen Roegies maakte van de gelegenheid gebruik om een oproep te doen: nu de hervormingen zich opstapelen, heeft elke dermatoloog er belang bij zich expliciet te laten vertegenwoordigen door een artsensyndicaat.
Kaderwet en plafonnering: de rode lijn van 300%
In de kaderwet is het punt dat de meeste zorgen baart duidelijk: de plafonnering van de honorariumtoeslagen. Het onderwerp ligt gevoelig in een specialisme waar 81% van de artsen niet geconventioneerd zijn (1). “Vandaag de dag is onze eigen verloning in feite het supplement, terwijl het officiële honorarium nauwelijks volstaat voor onze praktijkkosten”, zei Koen Roegies, alvorens de boodschap verder kracht bij te zetten: “Als de regering een onrealistisch plafond van 25% oplegt, gaat de Belgische dermatologie failliet.”
De voorzitter van de BBVDV zegt de politieke intentie te begrijpen. Ja, een minister wil misschien ingrijpen als hij “bepaalde ontsporingen” ziet of supplementen “die de pan uit rijzen”. Maar volgens hem hangt alles af van de maatstaf. Als het plafond te laag ligt, is extramurale zorg niet langer haalbaar.
Gezien dit vooruitzicht pleitte Gilbert Bejjani voor een limiet van 300%, gepresenteerd als de laatste drempel die verenigbaar is met een minimale vergoeding voor lange of complexe consulten en met het behoud van een nog leefbare vrije praktijk.
De breinbreker van de pseudocodes
De indexering redden, ja, maar tegen welke prijs? De overeenkomst tussen artsen en ziekenfondsen voor 2026 heeft een stijging van 2,72% veiliggesteld, binnen een budget dat al flink is ingekrompen. Voor Gilbert Bejjani was het behoud hiervan bijna een politieke prestatie.
In deze overeenkomst trok een ander punt veel aandacht: de pseudocodes voor transparantie. Op papier lijkt het instrument puur administratief. In werkelijkheid raakt het aan een gevoelige kwestie: wat de patiënt daadwerkelijk betaalt, en hoe die betaling kan worden uitgesplitst. Zuiver supplement, handeling buiten de vergoedingscriteria, een niet-verzekerde prestatie, ondergewaardeerde materiaalkosten: de pseudocodes dienen om deze structuur zichtbaar te maken, zonder zelf recht op vergoeding te geven.
De vraag of het systeem nu verplicht is of niet, kwam trouwens al snel naar voren in de gesprekken met de zaal. “Er is geen verplichting, maar er is wel een verplichting tot elektronische facturering”, vatte Gilbert Bejjani samen. Met andere woorden: de pseudocodes worden niet opgelegd als een op zichzelf staande verplichting, maar als een instrument voor traceerbaarheid dat een steeds grotere rol gaat spelen in de elektronische facturering.
En daar houdt het puur technische aspect op: deze grotere transparantie diende ook als argument om een budget van 10 miljoen euro toegewezen te krijgen, bedoeld om bepaalde technische diensten die nu ondergewaardeerd zijn beter te dekken.
Supplementen en VT-patiënten: kaders scheppen om een verbod te voorkomen
Voor Gilbert Bejjani kan het debat over toeslagen niet langer worden gevoerd alsof de politiek zich er niet mee gaat bemoeien. Het verbod om toeslagen in rekening te brengen bij patiënten die in aanmerking komen voor de verhoogde tegemoetkoming, diende als waarschuwing. “Als we nieuwe verboden willen vermijden, zoals het verbod op supplementen aan patiënten met recht op een verhoogde tegemoetkoming, moeten we op een gegeven moment een kader kunnen voorstellen. Beperkingen maken daar deel van uit”, legde hij uit. “Zonder een kader dat door de beroepsgroep wordt voorgesteld, grijpt de politiek uiteindelijk harder in.”
Deze redenering botst echter op een realiteit in de praktijk die minder karikaturaal is dan soms wordt gedacht. Volgens de cijfers van het RIZIV behoren dermatologen tot de specialisten met de meeste patiëntencontacten, met gemiddeld 4.744 contacten per jaar per voltijds equivalent, terwijl de gemiddelde kosten per contact met 42,53 euro tot de laagste behoren.
Koen Roegies baseerde zich op deze gegevens om het beeld te weerleggen dat dermatologen te weinig zouden werken of te veel gericht zouden zijn op “lucratieve” esthetiek. Het zichtbare tarief zegt bijna niets over de kostenstructuur die op de praktijken drukt. Met beroepskosten die voor een voltijdse activiteit meer dan 200.000 euro per jaar kunnen bedragen, zijn de supplementen onontbeerlijk om de activiteit draaiende te houden.
In deze context brengt Gilbert Bejjani een radicalere optie ter sprake: die van een “sector 3” naar Frans model, waardoor artsen die dat willen zich volledig uit het ziektekostenverzekeringssysteem kunnen terugtrekken. Een hypothese met verstrekkende gevolgen, die juridisch nog verder moet worden uitgewerkt, maar die volgens hem laat zien waar een te rigide tariefkader toe kan leiden.
Nomenclatuur: de strijd om de intellectuele waarde
Het volgende strijdpunt betreft de hervorming van de nomenclatuur, die verwacht wordt voor juli 2027. In theorie zou deze verandering ten goede kunnen komen aan specialismen die vinden dat hun intellectuele werk al jaren onderbetaald wordt. In de praktijk is echter nog niets zeker. Omdat het budget van de ziekteverzekering vastligt, zal elke herwaardering ten koste gaan van andere zaken. Als de medisch-technische zorg het grootste deel van het budget opslokt, dreigt de poliklinische consultatie weer naar de achtergrond te verdwijnen. Maar als de machtsverhoudingen anders uitvallen, ziet Gilbert Bejjani daarin de mogelijkheid van een historische verschuiving ten gunste van intellectuele prestaties, met name voor specialisten buiten het ziekenhuis.
Koen Roegies trekt daar nu al een heel concrete conclusie uit: het volstaat niet om te beweren dat consulten duur zijn. Je moet het bewijzen. Vandaar de aangekondigde start van een enquête onder dermatologen om de werkelijke kosten van de praktijk in kaart te brengen, van de huur en het personeel tot de investeringen in apparatuur. Bij de hervorming zullen degenen die met solide gegevens komen, meer gewicht in de schaal leggen dan degenen die louter met aannames komen.
Tele-expertise: dertien jaar om een reeds gangbare praktijk erkend te krijgen
Na een doorlooptraject van dertien jaar eisen wordt de asynchrone tele-expertise tussen huisarts en dermatoloog officieel erkend en vergoed. Zodra het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd, wordt deze expertise advies op afstand tussen artsen volledig via de derdebetalersregeling vergoed, zonder eigen bijdrage voor de patiënt. Het tarief komt overeen met dat van een klassiek videoconsult, dat momenteel op 27,57 euro ligt. De specialist moet wel binnen 72 uur reageren, om organisatorische misstanden te voorkomen en de kwaliteit van de klinische triage te waarborgen.
De voorziene financiering blijft beperkt (199.000 euro, ofwel ongeveer 10.000 consultaties per jaar), maar de symbolische reikwijdte is veel groter. De volgende stap is operationeel: binnen een technische werkgroep protocollen voor goede praktijken opstellen om de teledermatologie vorm te geven.
(1) Dit zijn de recentste beschikbare cijfers voor de overeenkomst 2024-2025. De uitsplitsing per specialisme voor de overeenkomst 2025-2026 is nog niet gepubliceerd door het RIZIV.








