De uitgaven voor artsenhonoraria binnen het kader van de nomenclatuur zijn in 2025 verder toegenomen. Volgens de cijfers van het RIZIV, gebaseerd op het vierde trimester van 2025, bedragen de totale uitgaven 11,07 miljard euro, wat neerkomt op een stijging van 4,5% ten opzichte van 2024. Daarmee zet de stijgende trend zich voort, zij het aan een lager tempo dan in de voorgaande jaren, toen de groei nog respectievelijk 10,4% in 2023 en 7,3% in 2024 bedroeg.
Over een langere periode bekeken blijft de stijging uitgesproken. In 2020 lagen de uitgaven nog op ongeveer 7,75 miljard euro. In de daaropvolgende jaren is dat bedrag gestaag toegenomen tot boven de 11 miljard euro. De recente cijfers wijzen echter op een afvlakking van het groeiritme, na de meer uitgesproken stijgingen in de post-covidperiode.
De evolutie van het aantal prestaties blijft relatief beperkt in vergelijking met de uitgaven. In 2025 werden in totaal 713,99 miljoen prestaties geregistreerd, tegenover 706,84 miljoen in 2024, wat neerkomt op een stijging van 1,0%. Deze beperkte volumegroei ligt in lijn met de trend van de afgelopen jaren, waarin de stijging van het aantal gevallen geleidelijk vertraagt.
Binnen de verschillende zorgsegmenten blijven de aantallen over het algemeen stabiel, met slechts beperkte schommelingen. De globale toename van het aantal prestaties blijft daardoor relatief bescheiden. De combinatie van een beperkte volumegroei en een hogere stijging van de uitgaven blijft een kenmerk van de recente evolutie.
Specialisten trekken de groei
De evolutie van de uitgaven verschilt naargelang het type verstrekkingen. In 2025 namen de uitgaven voor medische beeldvorming toe met 5,3%, terwijl raadplegingen, bezoeken en adviezen met 5,1% stegen. Ook speciale verstrekkingen (+5,4%) en heelkunde en anesthesiologie (+5,0%) kenden een vergelijkbare groei.
Binnen de consultatieactiviteiten valt op dat raadplegingen bij huisartsen stijgen met 5,3%, terwijl het aantal huisbezoeken licht daalt met 0,9%. De totale uitgaven voor huisartsenprestaties nemen toe met 3,9%.
De uitgaven voor specialistische zorg groeien sterker. Zo stijgen de uitgaven voor specialisten met 9,0%. Binnen dit segment kent de urgentiegeneeskunde een toename van 15,7%. Ook andere specialistische prestaties dragen bij aan de globale stijging. Daartegenover staat klinische biologie, waar de uitgaven slechts met 0,7% toenemen, wat wijst op een meer stabiel verloop binnen dit segment.
Teleconsultaties vallen stil
De cijfers voor 2025 tonen een uitgesproken terugval van prestaties die verband houden met de covidperiode. De uitgaven voor covid-gerelateerde verstrekkingen dalen met 93,8%, wat bevestigt dat deze tijdelijke maatregelen vrijwel volledig zijn weggevallen.
Ook de uitgaven voor telefonische raadplegingen nemen sterk af, met een daling van 85,9%. Deze evolutie hangt samen met de beslissing om de vergoeding voor telefonische consultaties vanaf 15 februari 2025 op nul euro te zetten. Sindsdien kunnen deze prestaties niet langer worden aangerekend binnen de verplichte ziekteverzekering, wat zich duidelijk weerspiegelt in de uitgavencijfers.
Uitgaven blijven binnen begrotingskader
De uitgaven blijven al bij al dicht bij de vooropgestelde doelstellingen. De totale uitgaven exclusief impulsfonds bedragen in 2025 11,63 miljard euro, tegenover een begrotingsdoelstelling van 11,64 miljard euro. Het verschil blijft daarmee beperkt. De cijfers voor 2025 bevestigen een verdere stijging van de uitgaven voor artsenhonoraria, maar met een gematigder groeiritme dan in de voorgaande jaren en een relatief beperkte toename van het aantal prestaties.








