Op het jaarcongres van de Federatie Medisch Specialisten met als thema ‘Naar een nieuw concept van ereloonsupplementen’, schetsten in een eerste deel enkele experts de complexe dynamiek. Opvallend was het pleidooi van Meester An Vijverman om als tegenhanger van supplementenplafonds ook minimumsupplementen in overweging te nemen.
Op enkele technische aspecten ging Mike Daubie (Riziv) in via een videopresentatie – hij excuseerde zich wegens agendaproblemen. De Riziv-topman belichtte de pseudocodes als centraal instrument in het huidige systeem: codes van zes cijfers die de facturatie structureren maar niet in de officiële nomenclatuur zijn opgenomen. Onlangs werden de zogenaamde transparantiecodes ingevoerd, specifiek bedoeld om supplementen en niet-terugbetaalbare prestaties in de ambulante zorg in kaart te brengen. “Het doel hiervan is tweeledig”, schetste hij. “Zichtbaarheid bieden op wat patiënten feitelijk betalen én ongedekte noden in de bevolking detecteren.”
Tegen 15 mei 2026 moet er een grondige analyse van deze gegevens op tafel liggen. Deze informatie wil men gebruiken om de nomenclatuur of toepassingsregels aan te passen, zodat bepaalde kosten die nu via supplementen worden gedekt, eventueel officieel vergoed kunnen worden.
Derde sector?
Eerder had Prof. Guy Durant (UCL) qua supplementen een interessante vergelijking gemaakt tussen acht Europese landen (Zwitserland, Nederland, Italië, Spanje, VK, Duitsland, Frankrijk en België) op basis waarvan hij dit besloot:
- enkele landen kennen (nagenoeg) geen supplementen (Zwitserland), Duitsland, het VK en Spanje. Die laatste landen kennen wel een uitzondering voor een klein deel van de bevolking.
- een tweede categorie landen werkt met toegestane maar strikt omschreven supplementen: Frankrijk en België.
- de derde categorie hanteert totaal vrije honoraria, maar dan wel buiten het publieke ziekteverzekeringsstelsel.
Moeten we in België ook een dergelijke ‘derde sector’ invoeren? Ja als we ons baseren op een eerder marginaal bevolkingsdeel dat bereid is om het terugbetalingssysteem te verlaten en een zware verzekering wil betalen. Het zou wel neerkomen op een historische breuk met ons systeem dat steunt op solidariteit. Bovendien zou de overheid veel weerstand om drie redenen: ze ziet het als een cadeau voor de privéverzekeringen; ze zou de controle verliezen; die stap zet de deur open naar een geneeskunde met twee snelheden.
Excessief?
Dat de overheid met haar nieuwe Kaderwet naar een systeem streeft van geplafonneerde supplementen (met een supplementenplafond, eventueel per specialisme of zorgtype), stuit op flink wat juridische kritiek. Daarover boog Meester An Vijverman (Dewallens & Partners) zich. Nog eens samengevat, want al herhaaldelijk aangegeven in De Specialist: de tariefvrijheid komt zo in het gedrang volgens de Raad van State die een en ander in conflict ziet komen met de Grondwet (artikel 23). Verder zou de wet “excessieve" supplementen (de zogenaamde outliers) willen aanpakken, maar hoe definieer je de term “excessief”? Tot slot moeten de beperkingen die de Kaderwet zou opleggen, proportioneel zijn en gebaseerd op concreet cijfermateriaal.
Velen vrezen nu voor een disproportionele ingreep, een vrees die ook hoog scoorde bij de duizenden reacties vanuit artsenzijde. Meester Vijverman suggereerde dat de overheid niet alleen naar plafonnering moet kijken, maar ook naar een gegarandeerd minimumsupplement om het voortbestaan van het systeem te waarborgen. Een interessant denkspoor, dat zeker.
‘Omgekeerde retrocessie’
Het perspectief van de Universitaire Ziekenhuizen (UZ’s) schetste Prof. dr. Matthias Lannoo (KU Leuven). Artsen verbonden aan een UZ mogen niet volledig deconventioneren. Doorgaans rekent men circa 150% supplementen aan voor wie een privékamer kiest en de patiënt tekent een dergelijke regeling op voorhand. Een UZ zoals het UZ Leuven ziet supplementen volgens hem als een middel om de patiëntenstroom te kanaliseren en de toegankelijkheid van hooggespecialiseerde zorg te bewaken. De supplementen worden toegewezen op dienstniveau maar bij ambulante zorg ook persoonlijk. Het budget is tevens bruikbaar voor extralegale voordelen.
De meestal gesalarieerde artsen in een UZ maken dat de gegenereerde supplementen door het ziekenhuis worden geïnd en vervolgens verdeeld over de diensten, een ‘omgekeerde retrocessie’ als het ware. Die middelen zijn in eerste instantie cruciaal voor investeringen, dus om hoogtechnologische apparatuur en infrastructuur te financieren.
Stel dat de supplementen zouden wegvallen, dan vreest Matthias Lannoo een leegloop van talent uit de UZ’s. “Door extralegale voordelen kunnen we topartsen aantrekken en concurreren met de privésector. Het zou de Europese concurrentiepositie van onze universiteiten in het gedrang kunnen brengen.”
De professor suggereerde tevens om de tewerkstelling in een UZ als PhD onder een gesalarieerd statuut zelf als een "bijzondere eis" te beschouwen, waarvoor een supplement gerechtvaardigd blijft. Daarover werd later door dr. Carlier wel een kritische vraag gesteld vanuit de zaal omdat hij hierin een verborgen agenda ziet van de UZ's.









Laatste reacties
stefaan carlier
12 februari 2026Geachte heer Van Rompaey, niet echt! Het is evenwel bon ton om te zeggen dat de extra bijdrage van de patiënt (supplement) niet meer in een éénpersoonskamer zou mogen aangerekend worden, en om alternatieven te zoeken wie dit wel zou mogen aanrekenen. Eén piste daarvan was dat een PhD dit zou mogen doen, die vraag werd ook letterlijk aan prof Lannoo gesteld. Mijn mening hierover vindt u hieronder.
Stef Carlier
Walter VAN ROMPAEY
11 februari 2026Stefaan Carlier , heb ik nu goed begrepen dat de denkpiste was dat enkel artsen met een PhD nog recht zouden hebben op een supplement in een éénpersoonskamer ?
stefaan carlier
10 februari 2026Gezien mijn interventie vermeld wordt in het artikel toch wat bijkomende uitleg.
Een PhD als rechtvaardiging voor een eigen bijdrage van de patiënt bij opname in een ziekenhuis lijkt mij merkwaardig, al moet ik wel toegeven dat prof Lannoo dit zelf ten zeerste relativeerde.
Het behalen van een PhD is immers een wetenschappelijke verdienste, die bevestigt dat iemand in staat is zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten, de resultaten kritisch te analyseren en te publiceren. Het is geen bewijs van excellerende klinische bekwaamheid.
Deze bijzondere eis als voorwaarde stellen om een eigen bijdrage te vragen aan de patiënt (lees de verzekering van de patiënt) in plaats van op basis van de kamerkeuze zou enkel goed uitkomen voor de universitaire ziekenhuizen, maar zou een ramp zijn voor kleine en middelgrote ziekenhuizen. De onderfinanciering van de honoraria der artsen en bijgevolg van de ziekenhuizen zelf wordt er immers alleen groter door in deze ziekenhuizen, waar een PhD titel niet vereist is, met alle gevolgen van dien. Dit kan dus geen alternatief zijn voor de huidige regeling.
Er bestaat bovendien momenteel geen enkele reden om de supplement regeling niet langer te laten afhangen van de kamerkeuze: immers, zolang niet alle kamers in een ziekenhuis éénpersoonskamers zijn kan iedere patiënt verder de nodige zorg krijgen zonder zelf te moeten bijdragen. De huidige regeling, van toepassing op de éénpersoonskamers, is een uitstekend compromis die een oplossing biedt voor de onderfinanciering van de honoraria van artsen ( in welk ziekenhuis dan ook) en van alle ziekenhuizen.
Stef Carlier, voorzitter BSAR-APSAR