De geplande hervorming van het Belgische ziekenhuislandschap dreigt te verzanden in een discussie over bedden en ziekenhuislabels. Dat zou een gemiste kans zijn. Niet de vraag hoeveel ziekenhuizen een bepaalde erkenning krijgen, maar hoe zorg beter op elkaar aansluit, moet centraal staan. Die boodschap staat centraal in een nieuw essay van dr. Peter Van Osta.
Het essay verschijnt op een moment dat de krijtlijnen van de Belgische ziekenhuishervorming stilaan vastliggen. De Interministeriële Conferentie Volksgezondheid bereikte eind juni een politiek akkoord over vier types ziekenhuissites. Vanaf 2028 zullen ziekenhuizen die niet aan de nieuwe erkenningscriteria voldoen, hun activiteiten moeten heroriënteren, fuseren of in sommige gevallen hun ziekenhuisfunctie stopzetten.
Om als regionaal algemeen ziekenhuis (RAZ) erkend te worden, geldt in een eerste fase een minimum van 150 verantwoorde acute bedden en 200 erkende bedden. Na een evaluatie in 2031 kan die norm worden opgetrokken tot respectievelijk 180 en 240 bedden. Het eerder voorgestelde criterium van minstens 600 bevallingen per jaar werd uiteindelijk geschrapt.
Peter Van Osta, gespecialiseerd in health data management bij ZAS, heeft geen bezwaar tegen de hervorming zelf. Wel tegen een aanpak die zich beperkt tot gebouwen en erkenningen. "De doorslaggevende vraag is of België erin slaagt deze typologie te gebruiken als hefboom voor een geïntegreerd gezondheidszorgstelsel."
Daarmee raakt hij de kern van zijn analyse. Niet het ziekenhuis, maar de patiënt en het volledige zorgtraject moeten het uitgangspunt vormen. "De patiënt en het volledige transmurale en interdisciplinaire zorgpad, niet de instelling, vormen de primaire eenheid van beleid." De auteur vreest dat België anders wel een nieuwe ziekenhuiskaart tekent, maar de fundamentele knelpunten in de zorgorganisatie ongemoeid laat.
Volume is geen kwaliteit
Het essay onderbouwt die visie met enkele opvallende cijfers. België beschikte in 2023 over 5,4 ziekenhuisbedden per 1.000 inwoners, tegenover gemiddeld 5,1 in de Europese Unie. Toch zegt dat cijfer volgens Van Osta weinig over de werkelijke capaciteit. Door personeelstekorten, absenteïsme en tijdelijke sluitingen blijven heel wat erkende bedden vandaag buiten gebruik.
Daar komt nog bij dat België voor aandoeningen zoals astma, COPD en diabetes meer vermijdbare ziekenhuisopnames telt dan het Europese gemiddelde. Dat wijst op tekortkomingen in preventie, eerstelijnszorg en de opvolging van chronische patiënten.
Daarom waarschuwt hij ervoor de hervorming niet uitsluitend aan cijfers over het aantal bedden op te hangen. "Een hervorming die uitsluitend kwantitatieve drempelwaarden toepast, loopt daarom het risico formeel capaciteit te concentreren zonder de onderliggende zorgprocessen te verbeteren."
Van Osta erkent dat een minimumomvang nodig kan zijn om permanenties, technische infrastructuur en multidisciplinaire expertise te garanderen. Tegelijk pleit hij ervoor ziekenhuizen niet alleen te beoordelen op het aantal bedden, maar ook op de kwaliteit van de zorg, de personeelsbezetting, de uitkomsten voor patiënten en de toegankelijkheid van het zorgaanbod.
Huisartsen krijgen een centrale rol
Opvallend is de prominente plaats die de auteur toekent aan de eerste lijn. Een hervorming kan volgens hem alleen slagen wanneer ziekenhuizen veel nauwer samenwerken met huisartsen, eerstelijnszones, thuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, apothekers en welzijnsorganisaties.
De huidige ziekenhuisnetwerken mogen daarbij niet uitgroeien tot structuren waarin uitsluitend ziekenhuizen de regie voeren. Van Osta pleit voor regionale samenwerkingsmodellen waarin alle zorgactoren mee verantwoordelijkheid opnemen voor de organisatie van zorg.
Die samenwerking wordt volgens hem steeds belangrijker omdat patiënten tijdens één ziekteproces vaak meerdere instellingen doorlopen: van een universitair ziekenhuis naar een regionaal ziekenhuis, vervolgens naar een revalidatiecentrum en uiteindelijk terug naar de huisarts. Elke overdracht verhoogt het risico op informatieverlies, medicatiefouten en dubbel onderzoek.
Digitalisering als ruggengraat
Ook digitalisering krijgt een prominente plaats in het essay. Het Belgian Integrated Health Record (BIHR) moet volgens Van Osta uitgroeien tot de digitale ruggengraat van de Belgische gezondheidszorg. Niet als een nieuw elektronisch patiëntendossier, maar als een platform dat bestaande gegevens veilig met elkaar verbindt.
Dat moet ervoor zorgen dat zorgverleners overal over dezelfde actuele patiëntinformatie beschikken, zodat onderzoeken niet onnodig worden herhaald en patiënten niet telkens opnieuw hun medische voorgeschiedenis moeten vertellen.
De timing sluit bovendien aan bij de Europese Health Data Space (EHDS). Vanaf maart 2029 moeten patiëntsamenvattingen en elektronische voorschriften grensoverschrijdend uitwisselbaar worden. Vanaf maart 2029 moeten kerngegevens uit het patiëntendossier en elektronische voorschriften grensoverschrijdend uitwisselbaar worden. Die Europese planning loopt vrijwel parallel met de eerste evaluatie van de Belgische ziekenhuishervorming.
Geen besparingsoperatie
Van Osta benadrukt dat de hervorming niet mag worden herleid tot een besparingsoperatie of een oefening in schaalvergroting. Geïntegreerde zorg vraagt net bijkomende investeringen in samenwerking, digitalisering en personeelsbeleid. "België moet de hervorming uitvoeren als één samenhangend nationaal programma."
Het uiteindelijke doel is niet minder ziekenhuizen, maar een betere verdeling van zorgfuncties. Niet de instelling, maar het volledige zorgtraject van de patiënt moet daarbij centraal staan. Alleen dan kan de nieuwe ziekenhuistypologie uitgroeien tot de basis van een geïntegreerd, digitaal ondersteund en toekomstbestendig gezondheidszorgsysteem.
> Lees het essay








