Het RIZIV heeft voor het eerst becijferd hoe artsenhonoraria kunnen worden opgesplitst in een intellectueel deel en een kostendeel. Een nieuwe methodologische nota legt uit hoe die berekening tot stand komt en komt uit op een verhouding van 65 tegenover 35 procent. Daarmee ligt het rekenmodel voor de verdere hervorming van de medische nomenclatuur op tafel.
De 67 pagina's tellende nota is de eerste van drie RIZIV-documenten over de hervorming van de medische nomenclatuur die De Specialist analyseert. Ook de twee andere nota's, die in afzonderlijke artikels aan bod komen, kon onze redactie inkijken. Deze eerste nota is uitgewerkt door het RIZIV, de FOD Volksgezondheid, het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) en universitaire onderzoeksteams. De methodologie bouwt voort op eerdere kostenstudies van KU Leuven, ULB, Möbius en het KCE.
De nota beschrijft hoe binnen de nomenclatuurhervorming een onderscheid kan worden gemaakt tussen het deel van een honorarium dat de intellectuele prestatie van de arts vergoedt en het deel dat dient om de praktijkkosten te financieren. Daarmee krijgt een van de meest besproken onderdelen van de hervorming voor het eerst een concrete methodologische onderbouw.
Artsenhonoraria vervullen vandaag een dubbele functie. Ze vergoeden niet alleen de medische prestaties van de arts, maar financieren tegelijk personeel, medische apparatuur, infrastructuur, logistiek en andere praktijkkosten. In ziekenhuizen gebeurt dat onder meer via de afdrachten die artsen op hun honoraria betalen.
De hervorming wil beide componenten uit elkaar halen. Een duidelijke opsplitsing moet later toelaten de intellectuele prestaties van artsen afzonderlijk te waarderen en de nomenclatuur transparanter op te bouwen. Dat sluit aan bij de ambitie om de logica van de huidige nomenclatuur te verbeteren, inkomensverschillen beter te analyseren en de financiering van de zorg inzichtelijker te maken.
Hoe komt het RIZIV aan 35%?
De onderzoekers vertrekken van een totale honorariummassa van 9,722 miljard euro in het referentiejaar 2019. Vervolgens ramen ze alle praktijkkosten die samenhangen met medische prestaties op 4,797 miljard euro. Dat bedrag omvat zowel de directe kosten, zoals personeel, materiaal en medische apparatuur, als de indirecte kosten voor administratie, logistiek en algemene ziekenhuiswerking.
Vervolgens brengen ze in kaart welke praktijkkosten vandaag al via andere financieringskanalen worden betaald. Het gaat in de eerste plaats om het Budget Financiële Middelen (BFM), goed voor 964,9 miljoen euro. Daarnaast houden ze rekening met 408,8 miljoen euro aan ziekenhuisforfaits en 50,8 miljoen euro uit het Maribelfonds. Samen vertegenwoordigen die financieringsbronnen 1,424 miljard euro aan praktijkkosten die vandaag niet langer via de honoraria moeten worden gefinancierd.
Na aftrek van die externe financiering blijft 3,373 miljard euro over. Dat bedrag beschouwen de auteurs als het kostendeel dat vandaag nog werkelijk in de honoraria vervat zit. Omgerekend vertegenwoordigt dat 35 % van de totale honorariummassa. De overige 6,349 miljard euro, goed voor 65 %, vormt het intellectuele deel van de honoraria. De nota maakt tegelijk duidelijk dat deze oefening geen uitspraak doet over de wenselijke hoogte van de honoraria, maar uitsluitend de gebruikte methodologie illustreert.
Geen vaste verhouding voor elke discipline
De verhouding van 65 tegenover 35 geldt niet voor elke arts, discipline of nomenclatuurcode. De oefening is een macroanalyse van de volledige honorariummassa en dient uitsluitend als referentiekader voor de verdere hervorming. De uiteindelijke opsplitsing zal pas in een volgende fase voor elke medische prestatie afzonderlijk worden berekend.
Dat onderscheid is essentieel omdat de kostenstructuur sterk verschilt naargelang de aard van de prestaties. Consultaties en andere klinische prestaties bestaan hoofdzakelijk uit het intellectuele werk van de arts en brengen relatief beperkte praktijkkosten met zich mee. Bij geautomatiseerde medisch-technische prestaties, zoals laboratoriumonderzoek, wegen apparatuur, verbruiksgoederen en ondersteunend personeel veel zwaarder door. Technisch-chirurgische prestaties vragen dan weer een intensief gebruik van operatiekwartieren, multidisciplinaire ondersteuning en zware medische infrastructuur. Juist daarom wil het RIZIV de uiteindelijke opsplitsing niet per discipline, maar per nomenclatuurprestatie uitwerken.
Van rekenmodel naar nieuwe honoraria
De keuze voor 2019 is bewust gemaakt. Dat was het laatste volledige jaar vóór de coronapandemie en tegelijk het jaar waarin de verschillende kostenstudies waarop de methodologie is gebaseerd van start gingen. Voor dat referentiejaar zijn bovendien voldoende gedetailleerde en gevalideerde gegevens beschikbaar om alle financieringsstromen op een consistente manier in kaart te brengen.
De auteurs benadrukken daarom meermaals dat de gepubliceerde cijfers geen actuele raming van de praktijkkosten vormen. Ze illustreren uitsluitend de gekozen methodologie en moeten dienen als basis voor de volgende fases van de nomenclatuurhervorming. Pas wanneer de opsplitsing voor elke nomenclatuurprestatie is uitgewerkt, kan de overheid nieuwe honoraria vastleggen.
Met deze eerste nota ligt het methodologische vertrekpunt van de hervorming op tafel. Twee andere RIZIV-nota's gaan dieper in op de beperkingen van de 65/35-oefening en op de manier waarop de intellectuele waarde van medische prestaties wordt bepaald. De Specialist analyseert ook die documenten in afzonderlijke artikels.
> Bekijk het rapport
> Lees de toelichting van het RIZIV
Lees ook:
> RIZIV waarschuwt: één op vijf nomenclatuurcodes vraagt nog bijkomende verfijning
> Zo worden intellectuele honoraria voortaan berekend: tijd, complexiteit en risico geven de doorslag









Laatste reacties
Christophe Breusegem
02 juli 2026@Francesca Donders
Helemaal eens met jou
Medische prestaties zijn niet enkel intellectueel,
Er is een emotioneel aspect bij behandelingen met mensen
Wij artsen werken mét en voor mensen, wij zijn géén leveranciers van producten….
Tevens wachten
En ja de overheid doet de berekening van de onkosten te kortzichtig
@Bart Lelie
Volledig eens met je kritische kijk op die ‘rapporten’ ….
Francesca Donders
30 juni 2026Ik snap dat je wil dat artsen minder ‘macht’ hebben, omdat momenteel de honoraria letterlijk het ziekenhuis rechthouden en artsen daarmee ‘druk’ kunnen uitoefenen. Maar ik ben het beu om artsen zo afgeschilderd te zien, alsof we enkel bezig zijn met zoveel mogelijk geld te verdienen. De overgrote meerderheid van de artsen doet zijn job echt wel om de patienten te helpen, en oofert daar ook vaak zijn eigen kwaliteit van leven voor op, draagt enorme verantwoordelijkheid en heeft ook momenten waar we ongelukkig zijn of stress hebben als 1 van onze patienten het niet goed stelt of als je denkt dat je het lisschien beter of anders had kunnen doen. Hoe gazt de nomenclatuur daaraan tegemoet komen. Intellectuele inspanning is 1 zaak maar wordt emotionele en persoonlijke inspanning ook mee in rekening gebracht? Wordt de arts soms ook als mens gezien? Wil iedereen niet verloond worden naar prestatie ? Mede in overweging nemen de ongemakken (wachten etc) en de verantwoordelijkheid die daarbij komen. Ik beloof u dat als artsen zouden betaald worden naar diploma, complexiteit en verantwoordelijkheid voor alle ook onbetaalde uren die we draaien dat het systeem failliet zou zijn.
Daarenboven over het stukje materiele onkost: als er berekeningen gedaan worden door de overheid, hoe goed bedoeld ook, komt dit meestal niet de kwaliteit van zorg ten goede. Vaak is de berekening te beperkt ingeschat van wat de grotere picture inhoudt. Vaak is het terrein per ziekenhuis, per praktijk, per discipline en per arts anders. Waardoor we riskeren een te laag aandeel aan ‘onkosten’ te hebben om goede infrastructuur investeringen te kunnen doen. De artsen gaan ook voortaan niet voldoende kunnen mee bepalen welke nieuwe toestellen en infrastructuur de voorkeur krijgt en welke niet, je gaat afhangen van een ziekenhuismanagement dat er niet per se altijd voldoende kennis van heeft of t potje gaat afromen om andere gaten te dichten. De arsten beschermen per definitie de kwaliteit van zorg door deze controle, en welke kwaliteit materiaal nodig is. Die geeft de associatie de vrijheid om te kunnen beslissen om tijdelijk meer bij te steken om een beter toestel af te betalen etc. We raken aan het principe van ‘vrij beroep’.
Ik heb zelf gewerkt in Nederland en Canada waar dit geen vrije beroepen zijn, de kwaliteit en vooral toegankelijkheid van zorg is gewoon slechter. Ik ben niet naar België terug gekomen om de goede gezondheidzorg die we hebben te zien crashen. Please. Denk na over de gevolgen.
En last but not least ‘artsen die aan universitaire centra werken’ en specifiek UZLeuven en Erasmus, centra met gigantische subsidies werken niet in een representatieve realiteit, zzij krijgen en vast loon en hebben geen zicht op de kosten die achter de structuur schuilgaan (ik mag dit zeggen want ik werk zelf in een bediende statuut in een publiek ziekenhuis) , maar tenzij ze zelf een stukje prive werken zijn ze minder gekend met de financiele structuur van kleinere prive gedragen ziekenhuizen en praktijken. Dus betrek meer spelers uit het veld om een beter beeld te krijgen.
De zorg moet toegankelijk blijven. En de artsen moeten vrij blijven om hun organisatie van infrastructuur nodig om hun beroep uit te oefenen te regelen en beheren in samenspraak met het ziekenhuis voor het deel dat gesubsidieerd is.
En stop met ons af te schilderen als boeven.
Jan Coveliers
30 juni 2026Transparantie over praktijkkosten is verdedigbaar, maar alleen als daar ook transparantie over verantwoordelijkheid, risico, beschikbaarheid, complexiteit en klinische eindverantwoordelijkheid tegenover staat.
Frederik VANRIETVELDE
30 juni 2026Gezien dit niet toepasbaar is op de individuele arts is dit een maat voor niets. Weer veel geld en tijd verloren op kosten van de belastingbetaler.
Bart Lelie
30 juni 2026Alweer een woordendiarree om te zeggen wat al lang gekend is, ja de gemiddelde retrocessie is +-65%. En daar ben je dus niets mee want de spreiding is immens. Wie betaalt die rapporten? Allicht moesten er nog wat onkosten gemaakt worden bij de overheid...
Medische honoraria opsplitsen in medisch honorarium en niet medisch honorarium vraagt sowieso om problemen en zou een NO GO moeten zijn voor onze vakbonden. Je geeft geld voor de "onkosten" aan het ziekenhuis/management dat werkelijk niets afweet van die onkosten. Het is niet omdat je als uitbater de onkosten betaalt dat je er een expert in bent. En zij die er wel iets van afweten mogen hopen op wat cogovernance over hun eigen geld???
Mark my words: die "onkosten" zullen steeds opgebruikt zijn, zoals dat gangbaar is in de ambtenarij. Er zal zelfs steeds tekort zijn. En dat heb je niet bij ondernemerschap van het vrij beroep. Zij letten op de onkosten en wat over is, is voor reserves of eigen zak en als er tekort is leggen ze bij, want daarvoor zijn die reserves.
Het volgende rapport zal dan 100 blz zijn om uit te leggen dat 6,349 miljard euro het intellectuele deel van de honoraria is in 2019 en dat er 36000 arts specialisten zijn in België en dat ze dus elk +-175000,-€ per jaar krijgen. Daar zal dan een addendum van 50blz bij zijn om een zelfstandige als 1FTE te classeren voor 220 werkdagen en een 40 uren week zodat je uitkomt op +-100€ bruto per uur. Gelukkig zal dit bedrag wel elk jaar geïndexeerd worden zodat we in 2026 128.5€ per uur zouden verdienen.
Daarna zullen er nog meerdere rapporten moeten komen om die 100€ per uur om te rekenen naar alle nomenclatuurnummers die je gemiddeld presteert per uur om dan uiteindelijk uit te komen op een rapport dat ons zal zeggen wat we precies moeten doen in dat uur om 100€ te mogen krijgen. Je zal uiteraard ook moeten badgen om aan te tonen dat je dat uur wel degelijk gepresteerd hebt. Het klinkt toch meer en meer als een schijnbediende.
De toekomst ziet er mooi uit!
@De Specialist: graag het Nederlands rapport vermelden in je artikel, dat leest wat makkelijker.
Christophe Breusegem
29 juni 2026Het is aan de artsen zélf om artsenhonoraria te bepalen…!!
De Overheid / ziekenfondsen moeten de terugbetalingen bepalen
In “overleg “! tussen artsen en Overheid /ziekenfondsen kunnen dan richtprijzen opgesteld worden
Die opsplitsing van honoraria : deze lijkt doorheen de strot van artsen geduwd te worden……
Kijk welke organisaties zich daarmee bezighouden:
Riziv, KCE , FOD Volksgezondheid en ‘universitaire’ onderzoeksteams…
Met allerlei ‘experten’….zoals economen ea
Maar wie doet het werk op de zorgvloer? Ja artsen en verpleegkundigen, dag in dag uit
Dan is het toch aan hen om hun tarieven te bepalen!
Als een loodgieter bij u thuis komt voor een essentieel probleem, moet u ook de prijs betalen die de loodgieter vraagt….
Wat gaan de artsensyndicaten DOEN?
Dat opsplitsen van honoraria maakt alles nodeloos complex en duurder…
En draagt niet bij tot bétere zorg
Opdelen en opsplitsen kan maar is geen meerwaarde
Al die experten mogen op hun kop staan, maar een zorgprestatie blijft een geheel met vele facetten
Voor de patiënt telt het geheel
En dat opsplitsen obv tijdsduur en complexiteit is artificieel…
De helft van consulten zijn standaard tijdsduur, maar bij zeer oude personen of bij allochtonen of bij multipathologie is er vaak een dubbele tijdsduur…
Dan dubbel tarief??
In de discipline oogheelkunde zijn er vele technische onderzoeken op de raadpleging
Dure apparatuur++*
Worden de onkosten in deze discipline dan geteld voor 55 procent ipv de algemene 35 procent????
En extramurale specialisten/ praktijken kunnen nu geen aanspraak maken voor de onkosten op het BFM fonds dat wel in ziekenhuizen voorradig is…….
Voor praktijken dan ook vergoedingen uit de Maribelfondsen?
Krijgen praktijken ook een deel van ziekenhuisfofaits?
Moet dit niet gelijk getrokken worden??
Geen discriminatie aub
En Wat zal die opsplitsing van honoraria opleveren?
Nu reeds al decennia is er géén goede / te lage terugbetalingen voor consultaties bij de oogarts
(Daarom ook dat ong 80 procent niet geconventioneerd is, en nog meer buiten de UZs)
Zal er nà de opsplitsing van honoraria bétere vergoedingen zijn in de oogheelkunde??
Het antwoord is hoogstwaarschijnlijk “ Neen”
En ook zo voor de andere disciplines….
Wat gaat die opsplitsing van honoraria ons opleveren?
Niks
Meer administratie
Meer complexiteit
Meer onkosten
Waarom dan die opsplitsing doen?
Zorgprestaties blijven een geheel
En artsen moeten autonomie hebben over de prijszetting
-