De oplossing voor het probleem van zorgwoestijnen ligt niet primair in méér artsen opleiden, maar in een doordachte personeelsplanning en structurele versterking van een multidisciplinair georganiseerde eerstelijnszorg. Dat beargumenteren flink wat professoren en medewerkers van vakgroepen (huisarts)geneeskunde in een opiniestuk afgelopen dinsdag in De Morgen.
Vooral in delen van Limburg, de Westhoek en Brussel hebben patiënten steeds meer moeite om een vaste huisarts te vinden. Wachttijden lopen op en patiëntenstops komen vaker voor. De problematiek is geografisch ongelijk verdeeld, aldus de schrijvers van het opiniestuk. Voor hen vormt de numerieke artsendichtheid niet het kernprobleem: Vlaanderen telt ongeveer 1 VTE huisarts per 925 inwoners, wat gunstiger is dan in veel buurlanden (circa 1/1.500). Het toegankelijkheidsprobleem is dus niet louter een kwestie van absolute aantallen.
Het schoentje wringt hem bij de veranderde zorgvraag die de werkdruk verhoogt. Denk aan de stijging van het aantal ouderen, chronische aandoeningen, psychosociale problematiek en langdurige zorgnoden. Die factoren maken de eerstelijnszorg complexer en tijdsintensiever. Zonder structurele hervorming leidt een hogere instroom vooral tot meer overbelasting, luidt de analyse. Wat wordt geïllustreerd met dit beeld: “Meer artsen opleiden zonder hervorming van organisatie en taakverdeling is als water gieten in een lekke emmer.”
De schrijvers uiten kritiek op het verhoogde startquotum (1.878 studenten in 2026), ingesteld door de Vlaamse regering. Daarbij rekenen ze voor: “Rekening houdend met uitval blijven in 2032 naar schatting 1.521 kandidaten voor vervolgopleiding over. Indien 40% voor huisartsgeneeskunde kiest, zouden jaarlijks 608 HAIO’s starten.” Dat is volgens de auteurs noch haalbaar (beperkte opleidingscapaciteit), noch noodzakelijk.
Opleidingscapaciteit is beperkende factor
De huisartsopleiding is praktijkintensief en afhankelijk van gekwalificeerde opleiders en goed functionerende praktijken. Opleiderscapaciteit is niet eenvoudig schaalbaar zoals een fabriek haar productie verhoogt. De focus moet liggen op het zorgmodel, niet enkel op de instroom, bepleiten de auteurs. Internationale evidentie toont dat een sterke eerstelijnszorg leidt tot betere gezondheidsuitkomsten, meer gelijkheid en hogere kosteneffectiviteit. Dat vereist voldoende ondersteuning van huisartsen via samenwerking in multidisciplinaire teams (solo-, duo-, groepspraktijken en wijkgezondheidscentra).
De Federale Planningscommissie ontwikkelde in samenwerking met diensthoofden en decanen gefundeerde scenario’s op basis van demografie, zorgbehoefte, uitstroom en opleidingscapaciteit. Het huidige Vlaamse instroomquotum werd evenwel vastgelegd vóór de afronding van deze aanbevelingen, wat de coherentie van de planning ondermijnt.
Vandaar het alternatieve voorstel van deze auteurs: kom tot een startquotum van 1.600 studenten in 2026, resulterend in circa 515 nieuwe huisartsen per jaar tegen 2032, met een evenwichtige verhouding huisarts-specialist. Dit scenario zou haalbaarheid combineren met de versterking van teamgebaseerde eerstelijnszorg zonder het medisch onderwijs te destabiliseren. Maar vooral klinkt deze boodschap door aan de verantwoordelijke politici:
beslissingen op basis van onderbouwde planningsdata en respecteer de centrale rol van de Federale Planningscommissie in langetermijnplanning.
Het stuk werd getekend door:
Birgitte Schoenmakers, Oliver van Hecke, Johan Vansintejan, Johan Wens, Geert Goderis, Bert Aertgeerts, Nicolas Delvaux, Bert Vaes, Gijs Van Pottelbergh en Stefan Heytens (vakgroepen huisartsgeneeskunde KU Leuven, UGent, VUB en UAntwerpen); Ann Gils, An Stockmans en Janique Lobbestael (directie Interuniversitair Centrum voor Huisartsenopleiding); Jan De Maeseneer (emeritus UGent). Chris Verslype (decaan faculteit geneeskunde KU Leuven), Piet Hoebeke (decaan faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen UGent) en Filip Lardon (decaan faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen Universiteit Antwerpen).









Laatste reacties
Robin GUEBEN
07 maart 2026Ze hebben gelijk, maar het is veel langer en complexer om uit te leggen. Hoe dan ook, vrijwel het hele zorgstelsel heeft een staatsgerichte visie; het zal alleen mogelijk zijn om het op een solide fundament te herbouwen. Ik wacht op de ineenstorting of het besef.
- Een minister die niet begrijpt dat het mechanisch beperken van het aanbod leidt tot een tekort aan het geleverde product of de geleverde dienst (na meerdere omwegen).
- De voormalige Waalse minister van Volksgezondheid die het concept van verzekering niet begrijpt (ze is na ons debat economie gaan studeren).
- De huidige minister van Volksgezondheid van de Franse Gemeenschap van België die zelfs het concept van QALY's niet kent.
- De hoogstgeplaatste ambtenaar in de gezondheidszorg die niet begrijpt dat automatische herverdeling op basis van vraag en aanbod zijn verzekeringsmaatschappij failliet zal laten gaan, terwijl de salarissen van de werknemers gelijk blijven (vooral als hij zelfstandige zorgverleners als werknemers wil opnemen).
- De grootste zorgverzekeraar van België (socialistisch) droomt van een door de staat geleide gezondheidszorg en totale controle over zorgverleners (ook al is dit NHS-model in het Verenigd Koninkrijk mislukt, net als elk totalitair links systeem zoals de Sovjet-Unie).
- De op één na grootste zorgverzekeraar van België (christelijk-socialistisch) droomt van een antikapitalistische wereld, ook al is de sociale zekerheid een verzekeringsmodel dat bestaat voor het spreiden van risico's, wat niet kan bestaan zonder vrijheid en welvaartsgroei door de private sector, liberalisme en soms, ja, monopolistische praktijken en kapitalisme.
Is er een volwassene in het Belgische zorgstelsel?
Ik wacht.