De sociale uitgaven voor invaliditeit hebben in België in 2024 een historisch hoog niveau bereikt. Dat blijkt uit voorlopige cijfers van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid. De grootste toename zat bij werknemers in de leeftijdsgroep 25 tot 34 jaar.
De FOD Sociale Zekerheid brengt jaarlijks een cijferbrochure uit waarin inkomsten en uitgaven van de Belgische sociale bescherming vergeleken worden met die in andere landen. Voor 2024 gaat het om een eerste schatting.
De overheidsdienst berekende dat de sociale uitkeringen in 2024 met ongeveer 7 procent zijn gestegen. Opvallend is dat naast de uitgaven voor ziekte (+8,63 procent) vooral die voor invaliditeit (+8,61 procent) stegen.
Voor ziekte is de kaap van 50 miljard euro genomen, voor invaliditeit gaat het om 17,9 miljard euro. De sociale uitkeringen die verband houden met ouderdom blijven goed voor de grootste hap in het budget: 74,5 miljard euro (+7,13 procent in 2024).
De grote groei wordt deels verklaard door de automatische indexering, maar ook de vergrijzing speelt een rol. De pensioenuitgaven stijgen erdoor, maar ook de zorgbehoefte neemt toe. De arbeidsmarkt vergrijst ook, wat een hogere frequentie en duur van afwezigheden wegen invaliditeit met zich meebrengt.
Het valt ook op dat België in vergelijking met het EU-gemiddelde veel meer uitgeeft aan invaliditeit. In 2022 ging het om 2,68 procent van het bruto binnenlands product, tegen een EU-gemiddeld van1,87 procent. Buurlanden Duitsland (2,05 procent), Frankrijk (2,07 procent), Luxemburg (2,44 procent) en Nederland (2,19 procent) komen lager uit.
> Ontdek de cijferbrochure








