Managementvennootschappen kregen hooguit een schampschot

De voorbije maanden stonden managementvennootschappen onder verhoogde politieke en fiscale druk. Zowel de federale als de Vlaamse overheid namen maatregelen om de zogenoemde ‘wildgroei’ te beperken en misbruik tegen te gaan. Toch blijft werken via een managementvennootschap voor veel hooggeschoolde professionals – waaronder artsen-managers – financieel en organisatorisch aantrekkelijk.

De aanleiding voor de ingrepen is duidelijk: de overheid vreest een toenemend inkomstenverlies in de personenbelasting doordat werknemers overstappen naar een vennootschapsstructuur. Ze wil de populariteit van die vennootschappen indijken. In een klassiek voorbeeld met 100.000 euro totale loonkost hield iemand met een managementvennootschap tot eind 2025 ruim 11.700 euro meer over dan een werknemer. Dat verschil wordt kleiner, maar verdwijnt niet, berekende De Tijd onlangs.

Om de wind uit de zeilen te halen van de oprukkende populariteit, werd eerst de belasting op dividenden voor kleine vennootschappen verhoogd door de federale overheid. Vanaf dit jaar stijgt het tarief om winsten uit de vennootschap te halen zoals bekend van 15 naar 18%. Een eerder overwogen plafonnering van het gunstregime (VVPR-bis en liquidatiereserve) werd uiteindelijk niet doorgevoerd. Daarnaast stijgt het minimumloon dat een bedrijfsleider zichzelf moet uitkeren om het verlaagde tarief in de vennootschapsbelasting te behouden van 45.000 naar 50.000 euro. Zo vermindert in principe het nettovoordeel tegenover een werknemersstatuut met ongeveer 2.800 euro, maar bij 100.000 euro omzet blijft nog steeds een verschil bestaan van bijna 8.900 euro.

Agressieve constructies geviseerd

Ook de samenstelling van het loonpakket wordt strenger bekeken. Voordelen van alle aard (zoals bedrijfswagen, gsm en laptop) mogen voortaan maximaal 20% van het brutoloon uitmaken om het verlaagde vennootschapstarief te behouden. Deze maatregel viseert vooral agressieve constructies zoals privévastgoed onderbrengen in de vennootschap. Voor artsen met een klassiek en sober loonpakket blijft de impact beperkt.

De Vlaamse overheid wou dan weer zogenaamd ‘sociale voordelen’ aanpakken die managementvennootschappen zouden inpikken. Dat hing men maar al te graag op aan het cliché van onterecht verkregen studiebeurzen, renovatiepremies of kinderopvang. Voortaan worden daarvoor alleen het loon, maar ook de ontvangen dividenden in rekening gebracht. Dat moet vermijden dat mensen die zichzelf lage lonen toekennen maar wel over hoge vermogens beschikkeb, onterecht steun ontvangen. De controle gebeurt via een verklaring op eer, wat in de praktijk niet volledig sluitend is volgens experts.

Gemiddelde belastingdruk

Ondanks deze maatregelen blijft het globale fiscale plaatje gunstig. Na de ingrepen bedraagt de gemiddelde belastingdruk voor wie via een vennootschap werkt ongeveer 34,4%. Dat percentage ligt beduidend lager dan bij een eenmanszaak (ruim 50%) en nog lager dan bij werknemers. Anderzijds versterkt het regeringsbesluit om hogere lonen slechts gedeeltelijk te indexeren de aantrekkelijkheid weer van vennootschapsstructuren voor hoge inkomens.

Autonomie

Een managementvennootschap wordt overigens niet enkel om fiscale redenen opgericht. Naast fiscaliteit speelt ook autonomie een belangrijke rol. Veel professionals verkiezen de vrijheid om zelf te beslissen over investeringen, verloning, werktijden en kostenstructuur, los van een klassiek loonbeleid. Dat argument is zeker relevant voor artsen met managementtaken of een gemengde klinisch-organisatorische rol.

Er zijn wel aandachtspunten. Wie exclusief voor één opdrachtgever werkt, loopt in theorie het risico op kwalificatie als schijnzelfstandige. In de praktijk zijn controles evenwel zeldzaam. Daarnaast moeten bedrijfsleiders zelf instaan voor hun pensioenopbouw. Wie zichzelf een beperkt loon uitkeert, bouwt ook een beperkt wettelijk pensioen op en moet dat aanvullen via systemen zoals VAPZ en IPT.

De overheid heeft er dus met haar besparingen eind 2025 de scherpe kantjes van managementvennootschappen afgehaald, maar het fundamentele voordeel blijft bestaan. Voor artsen-managers met een omzet vanaf circa 100.000 euro per jaar blijft een vennootschap doorgaans fiscaal en organisatorisch interessanter dan een werknemers- of eenmansstatuut, mits correcte structurering en langetermijnplanning.

> Politiek schiet met losse flodders op managementvennootschappen

U wil op dit artikel reageren ?

Toegang tot alle functionaliteiten is gereserveerd voor professionele zorgverleners.

Indien u een professionele zorgverlener bent, dient u zich aan te melden of u gratis te registreren om volledige toegang te krijgen tot deze inhoud.
Bent u journalist of wenst u ons te informeren, schrijf ons dan op redactie@rmnet.be.