Een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk is veroordeeld tot betaling van ruim 274.000 euro aan een arbeidsarts in opleiding. Volgens de rechtbank verliep zowel de ontslagprocedure als de motivering van het ontslag in strijd met de wet.
Het vonnis van de arbeidsrechtbank van Antwerpen, afdeling Hasselt, dateert al van oktober vorig jaar, maar circuleert nu pas breder binnen juridische kringen. De zaak draait rond een arts die na een carrière als spoedarts in 2021 aan de slag ging bij een externe preventiedienst en tegelijk de specialisatie arbeidsgeneeskunde volgde. Volgens het vonnis was hij verantwoordelijk voor klanten in Limburg en de regio Leuven.
De arts combineerde colleges, stages en een masterproef met het werk bij de externe preventiedienst, waardoor hij wekelijks één à twee dagen afwezig was voor opleidingsverplichtingen. Een verplichte stage binnen diezelfde preventiedienst werd bovendien positief geëvalueerd door zijn stagemeester, wat later meespeelde in de discussie over zijn bekwaamheid.
Toch ontstonden in 2023 spanningen tussen de arts en zijn werkgever. Volgens de arts hield de preventiedienst onvoldoende rekening met de combinatie van werk en opleiding en stond hij er in Limburg grotendeels alleen voor. De werkgever verwees dan weer naar bereikbaarheidsproblemen, organisatorische moeilijkheden en een moeizame samenwerking.
Na een gespannen evaluatiegesprek in september 2023 werd uiteindelijk een ontslagprocedure opgestart. Volgens de rechtbank liep het echter al mis bij de procedure. Het adviescomité dat zich over het ontslag moest uitspreken, was niet correct samengesteld. Maar ook inhoudelijk kreeg de werkgever ongelijk. De rechtbank benadrukt dat preventieadviseurs-arbeidsartsen een bijzonder sterke wettelijke bescherming genieten.
Een ontslag kan enkel wanneer sprake is van onvoldoende bekwaamheid of wanneer de onafhankelijkheid van de arbeidsarts in het gedrang komt. Volgens de rechter gingen de klachten in dit dossier vooral over spanningen op de werkvloer, communicatieproblemen en een vertrouwensbreuk met de leidinggevende.
Dat volstaat niet om een preventieadviseur te ontslaan. De rechtbank wees er bovendien op dat de arts tijdens zijn opleiding eerder positief was geëvalueerd en dat de werkgever geen concrete elementen aanbracht die wezen op medische onbekwaamheid.
De externe preventiedienst werd uiteindelijk veroordeeld tot betaling van een beschermingsvergoeding van 274.290 euro, overeenstemmend met twee jaar loon, vermeerderd met interesten. Het vonnis onderstreept hoe strikt rechtbanken toezien op de bescherming van preventieadviseurs en arbeidsartsen. Ook artsen in opleiding vallen onder die specifieke beschermingswet zodra ze als preventieadviseur functioneren.
> Klik hier voor het vonnis








