De Kaderwet wil de zorg betaalbaarder en transparanter maken. Dat is een legitieme ambitie. Toch dreigen twee centrale onderdelen van de hervorming precies datgene te schaden wat we zouden moeten beschermen: de kwaliteit van zorg.
Enkele weken geleden verscheen in De Specialist en Medi-Sfeer een interview met Frieda Gijbels en Kathleen Depoorter (beiden N-VA) over de Kaderwet (*). Daarin werden enkele misvattingen over de inmiddels door de regering goedgekeurde hervorming besproken en werden artsen en artsenorganisaties opgeroepen om voorstellen aan de regering over te maken.
Dat lijkt mij een belangrijke oproep. De tijd is rijp voor een kritische analyse van problemen in de zorg, ook wanneer het gaat over thema's die jarenlang onbespreekbaar leken. Het debat over remgelden, verhoogde tegemoetkomingen en het aantal chronisch zieken toont dat aan.
Mijn uitgangspunt is eenvoudig: instrumenten zoals de Kaderwet mogen de kwaliteit van de zorg niet schaden. Primum non nocere.
De denkfout van supplementenplafonds
Het eerste punt betreft de geplande plafonnering van de ereloonsupplementen. Het woord "supplement" is overigens ongelukkig gekozen. Het suggereert een extra bovenop een normaal tarief, terwijl de terugbetaling vaak niet overeenkomt met wat de zorgverstrekker als een billijke vergoeding beschouwt.
Gijbels en Depoorter stellen terecht dat eventuele plafonds op supplementen pas bespreekbaar zijn nadat zowel de nomenclatuur als de ziekenhuisfinanciering zijn hervormd. Dat klinkt logisch, maar zelfs dan blijven er fundamentele problemen bestaan. Eigenlijk zijn het er drie.
Vooreerst is de herijking van de honoraria een proces dat al sinds 2019 loopt. Tegen de tijd dat de nieuwe honoraria volledig zijn uitgewerkt, zullen ze in bepaalde domeinen onvermijdelijk alweer achterhaald zijn. Aangezien het niet de bedoeling is de totale honorariummassa uit te breiden, zullen er bovendien winnaars en verliezers zijn. Een algemeen supplementenplafond over disciplines heen zal daarom, net als vandaag, voor bepaalde zorgverstrekkers problematisch blijven.
Ten tweede evolueert de medische wereld razendsnel. Als de overheid essentiële innovaties niet wil of kan terugbetalen, iets wat gezien de toestand van de overheidsfinanciën wellicht steeds vaker zal gebeuren, moet het mogelijk blijven dat zorgverleners in overleg met hun patiënten de best beschikbare zorg aanbieden en een deel van de kost rechtstreeks aanrekenen. Algemene plafonds dreigen die mogelijkheid onnodig te beperken.
Ten derde heeft elke patiënt andere zorgnoden. Soms verloopt een behandeling vlot, soms is ze bijzonder complex en tijdsintensief. Waarom zou de duur en kostprijs van een behandeling niet aangepast mogen worden aan de reële noden van de patiënt, zelfs binnen hetzelfde nomenclatuurnummer? Stel dat ik huisarts ben en ervan overtuigd ben dat ik een patiënt met een ernstig acuut psychisch probleem echt kan helpen, maar daarvoor veel meer tijd nodig heb dan voorzien in een standaardconsultatie. Waarom zou ik dat niet mogen uitleggen aan de patiënt en in overleg een bijkomende vergoeding vragen?
Wanneer de overheid het ereloon bepaalt
Deze voorbeelden tonen aan dat het koppelen van een maximaal supplement aan nomenclatuurnummers intrinsiek problematisch blijft, ook na de nomenclatuurhervorming. Die koppeling is volgens mij een denkfout die de kwaliteit van de zorg dreigt te ondermijnen. Een ereloon zou een vergoeding moeten zijn voor een reële maatschappelijke bijdrage geleverd door een geschoolde expert in een competitieve omgeving, niet een arbitrair door de overheid bepaald bedrag. Staatsgeneeskunde heeft nog nooit geleid tot kwaliteit en zal dat ook nu niet doen.
Waarom keren we niet terug naar het oorspronkelijke uitgangspunt van de hele supplementendiscussie? Het achterliggende doel is immers meer dan legitiem: excessen vermijden en de zorg eerlijker, toegankelijker en betaalbaarder maken.
Mijn voorstel is eenvoudig. Inventariseer per beroepscategorie, en indien nodig per type prestatie, welke supplementen vandaag worden aangerekend. Dat zal per discipline duidelijk maken waar de echte uitschieters zitten. Pak die excessen aan in overleg met de beroepsorganisaties en evalueer het systeem regelmatig opnieuw.
Moeilijker hoeft het volgens mij niet te zijn. Excessen aanpakken is een goed idee. Absolute plafonds koppelen aan nomenclatuurnummers, en die bovendien uitdrukken als een percentage ervan, is nefast.
Meer bureaucratie, minder zorg
De tweede grote vergissing betreft de opsplitsing van de honoraria in een zuiver professioneel deel en een deel voor werkingskosten, een voorstel dat recent al enige weerklank heeft gekregen in de medische pers.
In organisaties die steunen op hooggespecialiseerde experten worden beslissingen best zo dicht mogelijk bij de werkvloer genomen. Dat geldt voor investeringen in apparatuur, onderhoud, innovaties en opleiding van personeel. Wie verantwoordelijk is voor die beslissingen moet ook over de nodige middelen beschikken, uiteraard binnen duidelijke kwaliteits- en verantwoordingskaders.
Werkingskosten die rechtstreeks verbonden zijn aan apparatuur en personeel centraliseren op het hoogste niveau van complexe organisaties zoals ziekenhuizen betekent in de praktijk het organiseren van inefficiëntie en bureaucratie. Men creëert dan onvermijdelijk bijkomende overlegstructuren om de vele informatiestromen te beheren. De kennis om beslissingen te nemen bevindt zich immers op de werkvloer, terwijl de financiële middelen centraal worden beheerd.
Men hoeft geen raketingenieur te zijn om te beseffen dat dit de kwaliteit van de zorg niet ten goede komt. Integendeel. Elke euro die naar onnodige bureaucratie gaat, is een euro die niet beschikbaar is voor de patiëntenzorg.
Ook hier vraag ik de beleidsmakers om met een open en kritische blik naar deze hervorming te kijken. Is het echt niet mogelijk om de herijking van de honoraria, die op zich een legitiem doel nastreeft, eenvoudiger te realiseren en de voorspelbare neveneffecten te vermijden? Ook hier dreigt de voorgestelde oplossing haar doel voorbij te schieten en de spreekwoordelijke doos van Pandora te openen.
Waar het echt om gaat
De kwaliteit van de Belgische gezondheidszorg is altijd bijzonder hoog geweest. Laten we er alles aan doen om dat zo te houden.
Ik hoop dan ook dat de aandacht van de beleidsmakers vooral zal uitgaan naar de echte problemen in onze zorg: het personeelstekort, de hoge werk- en administratieve druk, de overbelasting van de eerste lijn door niet-medische vragen, waarbij de huisarts steeds vaker fungeert als goedkope praatpaal en leverancier van attesten, en de toenemende druk op de spoeddiensten. Daardoor raakt echt dringende pathologie steeds vaker ondergesneeuwd in een groeiende stroom van niet-dringende consultaties.









Laatste reacties
Georges Otte
04 juni 2026De zorgkwaliteit wordt gehypothekeerd door de zorgverlening in een nauwkeurig administratief controlekeurslijf te persen, gemodelleerd naar het ideaal van onze minister: het NHS-model. Een groeiende administratieve overhead en overload die enkel kan resulteren in nog meer burn-out. Het geheel wordt als een log cruiseschip, naar het model van de Titanic, met F. VDB als Overlord aan het roer. Er zal geen plaats meer zijn voor Hippocrates en zo die het waagt in te schepen, nemen ze hem toch zijn RIZIV-nummer af.
Anthony Cornelissen
04 juni 2026De huisarts als praatpaal of beter als pispaal, wat de job er niet leuker op maakt. Eigen schuld dikke bult, want in 50 jaar tijd heeft de huisartsgeneeskunde zowat 90% van zijn competenties afgegeven aan alles en iedereen, zelfs aan de apothekers nota bene, die de uitgestoken hand van VDB gretig aannamen, en de huisarts blijft er verweesd bijstaan als papierverwrrker en doorverwijzer. Het ergste nog is dat ze zich om “ familiale redenrn” een 9 to 5 job hebben aangemeten, waardoor de spoed overspoeld is geraakt door “ huisartsenwerk” en door die druk werkt men daar van langs om meer let flow charts en er steeds meer “ grote blunders “ gebeuren.
De wachtdiensten zijn moordend voor zowat iedereen in de gezondheidszorg.
Wie sprak er over betere zorg anno 2026.
Gts
Tony
Stefaan COLPAERT
04 juni 2026"De kwaliteit van de Belgische gezondheidszorg is altijd bijzonder hoog geweest"
Het is een valse kapstop die perceptie bij de bevolking en de dienstbaaarheid van het systeem als surrogaat parameters neemt.
Ik ben meer systeem kritisch en doe voorstellen om de kwaliteit te verbeteren. Lees mijn boek.
Walter VAN ROMPAEY
04 juni 2026Collega Lieven , nog ter aanvulling van uw uitgebreide , gedocumenteerde bijdrage : we lezen nu op de site van BVAS dat de Vlaamse regering beslist heeft om 15 bijkomende MR systemen toe te laten maar in eenzelfde tijd wordt de forfaitaire toestelfinanciering via VIPA verhoudingsgewijs in belangrijke mate verminderd zogezegd om 'budgetneutraal' te blijven . Dit illustreert ten voete uit wat er op grote schaal kan gebeuren als de technische financiering wordt losgekoppeld van het honorarium en vervolgens op arbitraire wijze en zonder enige inspraak van de artsen kan worden gewijzigd .