Het tijdperk van de arts die altijd en onbeperkt beschikbaar is, ligt achter ons. Dat stelt dr. Caroline Depuydt, medisch directeur-generaal van vzw Epsylon. In deze opiniebijdrage pleit ze voor een zorgorganisatie die beter aansluit bij de verwachtingen van de nieuwe generatie artsen. Zij streven naar een beter evenwicht tussen werk en privé en wijzen tegelijk op de risico's van een zorgsysteem dat hun grenzen blijft negeren.
De geneeskunde is grondig veranderd. De plaats van de arts in de samenleving is vandaag helemaal anders dan vijftig of zestig jaar geleden. Samen met de notaris en de apotheker behoorde de arts toen tot de notabelen van een dorp of stad: iemand die veel aanzien genoot en zijn beroep als een echte roeping beleefde. Hij zette zich met hart en ziel in, zonder grenzen te stellen. Bovendien was de geneeskunde toen een uitgesproken mannenberoep. De echtgenote van de arts werkte doorgaans niet buitenshuis en nam het huishouden en de zorg voor het gezin op zich. De rollen waren duidelijk verdeeld. Dat alles is intussen fundamenteel veranderd.
Enerzijds is het maatschappelijke aanzien van de arts sterk afgenomen. Patiënten stellen steeds sneller eisen en ook de agressie tegenover zorgverleners neemt toe. Anderzijds is het beroep sterk vervrouwelijkt. Veel vrouwelijke artsen betalen daarvoor nog altijd een hoge prijs. Zij blijven immers vaak de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de kinderen en het huishouden. Zoals tal van studies aantonen, rust de mentale belasting nog steeds voornamelijk op de schouders van vrouwen. Vrouwelijke artsen willen hun beroep met volle overtuiging uitoefenen, maar tegelijk moeten zij ook kinderen opvoeden, hen naar de arts brengen of naar hun vrijetijdsactiviteiten voeren. Dat alles kan ertoe leiden dat zij hun beroep minder intensief kunnen uitoefenen.
Ook mannelijke artsen maken die evolutie door. Terecht vinden zij dat ze, ondanks hun passie voor het vak en hun engagement voor hun patiënten, ook tijd voor zichzelf moeten kunnen nemen en voor hun eigen welzijn moeten zorgen. Ik vind dat een gezonde evolutie. Meer nog: ik ben ervan overtuigd dat ze absoluut noodzakelijk is. Artsen zijn geen machines en ook geen supermensen. Net als iedereen hebben zij rust nodig, want hun werkdagen zijn bijzonder intens. Uiteindelijk komt die evolutie ook de patiënt ten goede. Een vermoeide arts loopt immers een groter risico om fouten te maken of prikkelbaar te reageren.
De zorg anders organiseren
Die realiteit vraagt om een andere organisatie van de gezondheidszorg. Artsen zijn niet langer op elk moment beschikbaar. Patiënten zullen dus ook moeten aanvaarden dat zij soms een arts van wacht raadplegen in plaats van hun eigen huisarts. In tijden van artsenschaarste moeten we beseffen dat één arts van vroeger vandaag ongeveer door anderhalve arts wordt vervangen. Met die realiteit moet rekening worden gehouden bij de contingentering, zowel in de huisartsgeneeskunde als in de verschillende specialismen. De artsen die vandaag instromen, de generatie Z, trekken veel duidelijker grenzen. Ik vind dat een uitstekende evolutie. Zij zijn opgekomen voor hun rechten, iets wat mijn generatie veel minder heeft gedaan. Ik vind het bijzonder waardevol dat een generatie artsen, ook al maakt dat de werkorganisatie soms complexer, vraagt om een betere regulering in functie van haar eigen welzijn.
Tussen controle en kwaliteit van zorg
Dat signaal moeten beleidsmakers en verantwoordelijken voor de volksgezondheid ernstig nemen. Ons gezondheidszorgsysteem zal op lange termijn niet overeind blijven als daar onvoldoende rekening mee wordt gehouden. Vandaag wordt van artsen steeds meer verwacht, zonder dat voldoende rekening wordt gehouden met hun grenzen.
Ik geef het voorbeeld van de psychiaters en de mobiele crisisteams. Voor de financiering van de uren van psychologen, verpleegkundigen en maatschappelijk werkers is een regeling uitgewerkt. Maar voor de artsen? Nauwelijks. Van hen wordt verwacht dat zij permanent wachtdiensten verzekeren, 24 uur per dag en zeven dagen op zeven, en voortdurend telefonisch bereikbaar zijn. Daartegenover staat slechts een beperkte financiering van enkele uren per week, terwijl zij in de praktijk permanent beschikbaar moeten zijn om dringende oproepen op te vangen.
Die visie van de overheid moet snel veranderen. Enerzijds wordt van artsen verwacht dat zij aan steeds meer verplichtingen voldoen. Zij riskeren hun RIZIV-nummer te verliezen wanneer zij fouten maken en worden steeds strenger gecontroleerd op hun voorschrijfgedrag. Anderzijds is er voor die bijkomende verantwoordelijkheden geen evenredige vergoeding voorzien, omdat in de publieke opinie nog altijd leeft dat artsen al ruim voldoende verdienen. Voor de zogenaamde intellectuele specialismen klopt dat allerminst. Men zal mij tegenwerpen dat de hervorming van de nomenclatuur net bedoeld is om dat evenwicht te herstellen. Daar heb ik toch mijn twijfels bij. We zullen zien. Vandaag bestaat er een groeiende kloof tussen wat de overheid – mogelijk terecht – van artsen verwacht en wat jonge, maar ook minder jonge artsen in hun dagelijkse praktijk ervaren. Velen onder hen denken er ernstig over na om hun loopbaan vroeger dan gepland stop te zetten.
Voor mij is geneeskunde niet mijn hele leven. Begrijp me niet verkeerd: ik hou van de psychiatrie en ik ben graag psychiater. Maar mijn leven draait niet uitsluitend om mijn beroep. Ik heb nood aan meditatie en aan tijd voor mezelf, los van de geneeskunde. Er is ook een voorbeeldfunctie. Als artsen moeten wij tonen dat een gezond evenwicht tussen werk en privé mogelijk is, in plaats van een levensstijl voor te houden waarbij iemand voortdurend over zijn grenzen gaat en permanent balanceert op de rand van een burn-out.








