In een reeks van drie opiniestukken analyseert professor Giovanni Briganti, vanuit de sociale psychologie, het groeiende wantrouwen tegenover artsen. Hij onderzoekt de mechanismen die de relatie tussen samenleving en medische wereld ingrijpend veranderen, van de eis tot onmiddellijke beschikbaarheid tot de afnemende tolerantie voor fouten. In dit eerste deel staat de medische tijd centraal, die vandaag wordt ervaren als een anomalie in een samenleving die gedomineerd wordt door onmiddellijke bevrediging, waarin wachten als onrechtvaardig wordt gezien en frustratie zich steeds vaker op artsen richt.
Er was een tijd – en die ligt nog niet zo ver achter ons – waarin de arts in het collectieve bewustzijn een tegelijk vertrouwde en bijna sacraal ervaren rol vervulde. Hij was degene die men ’s nachts belde, degene wiens woorden rust brachten nog vóór een behandeling effect had, degene aan wie men toevertrouwde wat men aan niemand anders zei: de angst om te sterven. De manier waarop de samenleving naar haar artsen kijkt, is fundamenteel verschoven. Wat zich vandaag aftekent, wijst op een dieper en structureler fenomeen, en ook op iets verontrustends. In uiteenlopende vormen keert de samenleving zich tegen artsen. Dat wantrouwen verdient aandacht, omdat het iets blootlegt over onze verhouding tot tijd, tot fouten, tot eindigheid – en uiteindelijk tot onszelf.
Ik werk dagelijks in een zorgsysteem waarvan ik zowel de sterktes als de kwetsbaarheden ken. Wat ik observeer, zowel in de consultatieruimte als in het auditorium, gaat veel verder dan ontevredenheid over individuele medische handelingen. Er groeit een diffuse vorm van vijandigheid, zichtbaar in wachtzalen, op sociale media, in rechtszalen en in politieke discoursen. Die vijandigheid heeft psychologische wortels die benoemd moeten worden.
Gestolen tijd
We leven in een beschaving waarin onmiddellijke bevrediging tot norm is verheven. Een pakket wordt de volgende dag geleverd, een bericht moet binnen de minuut beantwoord worden, een AI-diagnose gaat vooraf aan de consultatie. De sociale psychologie beschrijft al langer het fenomeen van temporal discounting: de neiging om wat tijd vraagt te onderschatten en wat onmiddellijk beschikbaar is te overschatten. Daniel Kahneman en Amos Tversky toonden met hun prospect theory aan hoe moeilijk mensen omgaan met tijdsvertragingen. Wachten wordt niet ervaren als een neutrale periode, maar als verlies, frustratie of zelfs onrechtvaardigheid.
Geneeskunde daarentegen is per definitie een praktijk van de lange termijn. Diagnostiek vraagt tijd, omdat het lichaam zich niet laat vatten in de logica van onmiddellijke triage. Behandeling vraagt tijd, omdat biologische processen hun eigen ritme volgen en zich niet aanpassen aan menselijke ongeduldigheid. Genezing vraagt tijd, omdat het neerkomt op het begeleiden van een levend organisme in een proces waarvan de uitkomst nooit volledig voorspelbaar is. Die begeleiding veronderstelt een temporaliteit die niet te reduceren valt tot de logica van de machine.
De hedendaagse samenleving heeft steeds minder geduld voor die realiteit. Medische tijd wordt gezien als een tekortkoming, een organisatorisch falen, een vermijdbare inefficiëntie. Wachttijden op spoeddiensten, nochtans het directe gevolg van structurele onderfinanciering, worden al te vaak geïnterpreteerd als bewijs dat artsen onvoldoende werken, onvoldoende betrokken zijn of onvoldoende efficiënt functioneren. Hier speelt een klassiek mechanisme van fundamentele attributiefout: problemen worden niet toegeschreven aan de context (middelen, organisatie, financiering), maar aan individuen (de arts, zijn competenties, zijn motivatie). Lee Ross beschreef dit fenomeen al in 1977. Vandaag is het relevanter dan ooit, in een samenleving waarin de patiënt zichzelf steeds vaker als consument beschouwt en van zorg dezelfde vlotheid verwacht als van een commerciële dienstverlening.
Die verwachting is fundamenteel onredelijk. Wanneer overheden er jarenlang voor kiezen om onvoldoende te investeren in de opleiding van artsen, in ziekenhuisinfrastructuur en in de werkomstandigheden van zorgverleners, leidt dat onvermijdelijk tot wachttijden, tekorten en uitputting. De frustratie van patiënten richt zich echter zelden op die structurele oorzaken. De overheid blijft een abstracte en moeilijk te grijpen actor. De arts daarentegen is zichtbaar, aanwezig en aanspreekbaar. Hij wordt het mikpunt waarop frustratie wordt geprojecteerd. In termen van sociale psychologie wordt hij zo een proximale zondebok: degene die de emotionele kost draagt van een systeemfout waarvan hij zelf het slachtoffer is.
Er speelt nog een bijkomende verschuiving. De cultuur van onmiddellijke bevrediging vermindert niet alleen de tolerantie voor wachten, maar verandert ook de betekenis ervan. Wachten wordt ervaren als onrechtvaardig. Onderzoek naar procedurele rechtvaardigheid (Thibaut en Walker, Lind en Tyler) toont aan dat mensen ongunstige uitkomsten kunnen aanvaarden als ze het proces als eerlijk ervaren. Maar wanneer dat proces – het zorgtraject, de opeenvolging van afspraken, de wachttijd – als ondoorzichtig, arbitrair en onpersoonlijk wordt beleefd, ontstaat een sterk gevoel van onrechtvaardigheid. En dat gevoel richt zich op degene die dat proces belichaamt: de arts.









Laatste reacties
Stefaan DENEWETH
21 april 2026@Professor Giovanni Briganti steeds bereid om hierover in discussie/bespreking te gaan
Bruno Vandekerckhove
20 april 2026“ De” artsen zijn slecht, maar “ mijn” arts is goed. De beweringen van prof. Brigantine had ik graag gestaafd gezien met cijfers, zodat dit tenminste op wetenschappelijke basis wordt geponeerd. De factor tijd wordt grotendeels bepaald door de workload en de administratieve mallemolen. Onze minister streeft niet naar excellentie, maar naar mediocriteit. Mundus vult decipi en het volk krijgt de zorg ( van de politici) die ze verdient.
Lieven Van Hoe
20 april 2026De belangrijkste factor in deze lijkt mij de federale minister van volksgezondheid die een viscerale afkeer heeft van (tand)artsen en dat te pas en te onpas in de media duidelijk maakt... Aangezien artsen geen toegang hebben tot de nationale visuele media blijven de beschuldigingen van de minister zonder weerwoord...